Taal

OVER DE BETEKENIS VAN ”SUUR-” IN DE FAMILIENAAM SUURENBROEK

INLEIDING

In het onderstaande verslag wil ik enkele argumenten aanvoeren ter onderbouwing van de stelling dat het element ”suur-” in de familienaam Suurenbroek een aanduiding zou kunnen zijn voor de windrichting ”zuid”. Over de betekenis van het element ”-broek” hoeft geen twijfel te bestaan, dit betekent ”drassig land, moerasland” e.d.. Als mijn stelling klopt zou men de naam Suurenbroek in modern Nederlands b.v. kunnen ”vertalen” als ”Zuidermoeras”. Ook zullen andere mogelijkheden aan de orde komen, en, zo mogelijk, weerlegd worden.

Veel familienamen geven een plaats aan waar de dragers van deze namen vandaan kwamen: Van Dijk, Van den Heuvel, Van der Zee, Van den Broek. Dit kan ook zonder verwijzing van het voorzetsel ”van”: Bosch, Berg, Lee (=heuvel), Broek, Broekman. Bij namen als de laatste wordt eigenlijk bedoeld ”die lui die daar in of bij dat bos woonden” of ”die man die daar bij, op of in de buurt van dat drassig land woonde”. Plaatsnamen, persoonsnamen en/of familienamen vallen hier samen. In het vervolg van dit geschrift zal ik het hebben over namen in het algemeen, en alleen oonderscheid maken als het praktisch is om dit te doen.

Het element ”suur-” komt behalve in de naam Suurenbroek in diverse familienamen voor. In het telefoonboek van Amsterdam vinden wij, behalve Suurenbroek, de volgende: Suurbier, Suurd, Suurendonk, Suurhoff, Suuring, Suurland, Suurmond, Suuroverste en Suurs. Ik zie hier af van spellingsvarianten als ”sur(en)-”, ”zuur-” etc. Van een aantal van deze namen kan gezegd worden dat het tweede element, evenals ”-broek”, iets aanduidt dat gelocaliseerd kan worden: ”Land” en ”hof” spreken voor zich, een ”donk” is een heuvel, ”mond” betekent ”monding”. Het ligt voor de hand dat ooit algemene aanduidingen als ”land”, ”hof” of ”broek” nader werden verduidelijkt met b.v. de aanduiding van een windrichting.

Zo zijn er behalve de naam Suurenbroek ook namen als Westenbroek, Oostenbroek en Noordenbroek (of varianten daarvan zoals Westbroek), en in Groningen liggen, vlak bij elkaar, de dorpen Zuidbroek en Noordbroek. Ook in Groningen ligt het dorp Zuurdijk, dat in een document uit 1287 ”Sutherdiecke” werd genoemd. (1) Dit dorp Sutherdiecke ontstond na samenvoeging met de dorpen Asterdijk (”ast” = ”oost”, wellicht in die tijd Asterdiecke) en Westerdijk (of – diecke), nadat een zuidelijk gelegen dijk was weggevaagd tijdens de St. Luciavloed. Hier is het verband tussen het naamelement ”zuur-” en andere windrichtingsbenamingen evident.

OUDE EN NIEUWE KLANKEN

Hoe kan uit het lexeem (d.w.z. een woord of een betekenisdragend woorddeel) ”suther-” een nieuw lexeem ”zuur-” ontstaan. In het Wikipedia-artikel over Zuurdijk wordt dit een verbastering genoemd. Dit is een onjuiste omschrijving, berustend op hetzelfde misverstand dat dialecten slordig uitgesproken beschaafde taal zijn. Het gaat hier namelijk om een klankwettige verandering. Een klankwet is een wat ongelukkige taalkundige term, die gevormd is naar analogie met de term ”natuurwet”. Een natuurwet is echter altijd van toepassing, en dus voorspelbaar, b.v. ”een rood balletje valt altijd naar beneden wanneer men het loslaat, en een blauw balletje ook”, of, ”er is niets sneller dan licht”, tenminste, dat nemen we voorlopig maar aan. Klankwetten beschrijven veranderingen die binnen het klanksysteem van een taal een zeker patroon vertonen pas achteraf, wanneer de verandering heeft doorgezet. Zo zou b.v. een klankwet kunnen zijn: ”In een bepaalde periode verandert in het Duits, of in bepaalde dialecten van het Duits, de klank ”k” in ”ch”, wanneer hij aan het einde van een woord (of lexeem) staat.” In een formule geven we dit weer met /k > ch/. Dus in een bepaald stadium in de tijd waarin Nederlands en Duits nog meer op elkaar leken dan ze nu doen werd ”ik” ”ich”, ”boek” ”Buch” en ”dak” werd ”Dach”. Dit houdt in dat de vorm ”ik” een ouder taalstadium vertegenwoordigt dan ”ich”.

Dat zal echter wel bewezen moeten worden. Het zou ook immers ook zo kunnen zijn dat ”ich” ouder is dan ”ik”, en dat de ”k” dus uit een ”ch” ontstaan is. Dat lijkt niet zo te zijn. Nederlands en Duits komen allebei voort uit een niet meer bestaande taal, het Germaans, waarvan ook geen geschriften bekend zijn. Wel is een andere, veel oudere taal in schrift bekend, die ook van het Germaans afstamt, n.l. het Gothisch. En in deze taal is het woord voor ”ik” hetzelfde als in het Nederlands: ”ik”. Uit dit en vele andere voorbeelden blijkt dat de ”k” ouder is dan de ”ch”.

Maar waarom heeft men het dan in het Duits over een ”Diskothek” in plaats van over een ”Diskothech*”. (Een asterisk bij een woord betekent dat het niet bestaat of gereconstrueerd is). En waarom zegt men ”Danke” in plaats van ”Dankche”. Zoals gezegd, een klankwet is geen natuurwet. De klankverandering /k > ch/ heeft in het Duits maar een bepaalde tijd geduurd. Het woord Diskothek kwam pas later in zwang, en heeft de invloed van de klankwet niet ondergaan. ”Danke” is niet veranderd omdat er een n-klank voor de ”k” staat. De wet die hierboven is geformuleerd klopt dus niet, hij moet o.a. een uitzondering maken voor woorden waar de k-klank wordt voorafgegaan door een n-klank. En zo zijn er nog meer ”storende factoren” die het lastig maken een zuivere klankwet te formuleren. (2)

De overgang van ”suther-” in Sutherdiecke naar ”zuur-” in Zuurdijk berust op drie opeenvolgende klankwetten. De eerste, /th > d/ en de tweede, /oe > uu/, nemen we nu voor kennisgeving aan. De derde luidt: ”de klank ”d” heeft de neiging te verdwijnen tussen twee klinkers, waarvan de tweede een stomme ”e” is.” De formule hiervoor is /d > 0/. Dat ik schrijf ”heeft de neiging” geeft al aan dat het hier niet om een echte wet of regel gaat. De ”d” blijft ook vaak staan en dit kan diverse gevolgen hebben:

(1) Er ontstaan twee woorden die gelijke betekenis hebben, b.v. ”getij” en ”getijde”.

(2) Er ontstaan twee woorden die gelijke betekenis hebben, maar die een andere gevoelswaarde hebben. Dit heet een stilistisch verschil. Voorbeelden:

    • ”weder” > ”weer” (klimaatgesteldheid). ”Weder” klinkt plechtig, ouderwets, is terug te vinden in versteende zegswijzen als ”ijs en weder dienende”. ”Weer” is het alledaagse woord.
    • ”weder” > ”weer” (opnieuw). ”Wederom” klinkt hoogdravend, ”alweer” is het alledaagse woord.
    • ”neder” > ”neer”. ”Nederland” tegenover ”op en neer”
    • ”veder” > ”veer”. Onze gevederde vrienden vs. de veren van een vogel.
    • ”salade” > ”sla”. Krabsalade of kropsla?
    • ”vader” > ”vaer”. ”Grootvader” vs. ”bestevaer”. ”Grootvader” wordt door veel mensen als plechtig ervaren. ”Opa” is veel normaler. ”Bestevaer” is een niet meer gebruikte familiaire benaming voor ”grootvader” en was tevens de vertederde benaming voor een typisch Hollandse held, Michiel de Ruyter. Hier zien we overigens dat de vorm met ”d” overleeft, terwijl de andere niet meer gebruikt wordt.

(3) Er ontstaan twee woorden die van betekenis verschillen. Voorbeelden:

    • ”broeder” > ”broer”. ”Broeder” heeft een gerichte betekenis, b.v. in de zin van ”ziekenbroeder of kloosterbroeder”, maar wordt als aanduiding voor de familierelatie, i.t.t. ”broer”, niet meer gebruikt.
    • ”boedel” > ”boel”. ”Inventaris” vs. ”grote hoeveelheid”, b.v. een ”heleboel”, of zelfs ”zooitje”, of in nog algemenere zin ”de boel de boel laten.”
    • ”buidel” > ”buil”. De oorspronkelijke betekenis zal iets geweest zijn als ”uitstulping.

Klankwettig is een overgang van vormen als ”suther-” of ”suder-” naar ”suur-” dus mogelijk.

SUDO

”Suur-” zou ook andere oorsprongen kunnen hebben. In een boek over Nederlandse geslachtsnamen(3) vond ik voor namen als Suringa en Surink de verklaring dat zij zouden zijn afgeleid van een uitgestorven Germaanse mannennaam ”Sure” of ”Suur”, die weer is afgeleid van ”Sudo” en/of ”Sudhari”, waarvan de tweede waarschijnlijk een verbogen vorm is, een naamvalsuitgang dus. Ook een naam als ”Zuidinga” is volgens deze schrijver van ”Sudo-” afgeleid. Bovendien bestaat er ook nog een naam ”Suringbroek”, die verdacht veel op de onze lijkt.

Het verschil tussen de namen ”Suurenbroek” en ”Suringbroek” is het tweede element: ”-en-” in de ene naam, ”-ing-” in de andere. Het tussenvoegsel ”-en-” kan op verschillende manieren uitgelegd worden: het kan een bezitsrelatie aanduiden, b.v. ”het broek van (in) het zuiden”, of een overblijfsel zijn van een vroeger ”Zu(i)derenbroek”. Het tussenvoegsel ”-ing-” en vergelijkbare vormen als

”-ling-” komen in talloze woorden voor, zoals ”zuiderling”, en betekent ”afkomstig van”. Een vergelijkbare betekenis is ”nazaat van” en daarom kunnen er met ”-ing” zgn. patronymica, d.w.z. vadersnamen gevormd worden. Op de zelfde manier als ”Janszoon”, later Jansen, de zoon van Jan aanduidt, zijn de ”Sudharingen” de nazaten van Sudo.

Laten we de ontwikkeling van dit geslacht eens beknopt trachten te volgen.

  • Het jaar 800: Ergens in wat nu Nederland is leeft een zekere Sudo. Het enige wat wij van hem weten is dat zijn naam wordt uitgesproken als ”Soedo” en dat hij kinderen heeft. Hun kleine clan worden door de overige families in hun dorp ”Soedaringen” genoemd.
  • 825 Na een oogstfeest overlijdt Sudo onverwacht op de toen betrekkelijk normale, dus zeer respectabele leeftijd van ca. 45 jaar. Hij laat vier kinderen na (zes stierven als zuigeling), drie zoons en een dochter. De dochter is ingetrouwd in een andere familie in het dorp en draagt nu de naam daarvan. De drie zoons hebben bij elkaar op dit moment zeven kinderen, allemaal Soedaringen. Tussen 800 en 825 is echter de uitspraak van de taal en ook het woord ”Soedaring” behoorlijk veranderd: de ”-a-” is veranderd in een stomme ”e” en de ”oe” is meer als een ”uu” gaan klinken, misschien onder invloed van een wat groter dorp in de buurt, waar de jongeren wel eens uit dansen en vrijen gingen. Ze heten nu dus ”Suuderingen”, ondanks dat de oude Sudo er de kleintjes er nog wel eens tevergeefs op gewezen heeft dat ze zijn naam niet netjes uitspraken. Maar hij is er niet meer en de klankverandering zet zich door, niet alleen in het dorp van de Soedaringen/Suuderingen, maar in een groot gedeelte van het gebied dat nu Nederland is. Later zal men deze veranderingen een klankwet noemen.
  • 850 Het beeld is totaal veranderd. De diverse families van het dorp dijden dermate uit dat de akkers en de handel niet meer genoeg opbrachten en veel jonge Suuderingen zijn er, alleen of met familie, op uitgetrokken. Sommige wonen maar een paar kilometer van het oude dorp, in dat grotere dorp dat een kleine stad aan het worden is, anderen trokken veel verder, Van sommigen wordt zelfs nooit meer iets gehoord.
  • 950 – 1150 Het dorp waar Sudo woonde bestaat niet meer. De grond is uitgeput en overwoekerd, de houten huisjes zijn afgebroken of vergaan. Velen van wie direct tot Sudo te herleiden zijn hebben allang geen naam meer die van Sudo afstamt. Ze hebben andere namen aangenomen, b.v. van de plaats waar ze later woonden, of van wat ze deden (bakker, timmerman) of ze hadden, zoals zovelen toen, helemaal geen achternaam. Of kregen die weer doordat de omgeving hen, om hen te onderscheiden van anderen die ook Jan of Piet heetten, begon aan te duiden als Korthals, of Van der Molen, al naar gelang ze eruit zagen of waar ze woonden. Een enkele tak van het geslacht heeft echter de van Sudo afgeleide naam behouden. Niet omdat ze nog een idee hadden wie die Sudo was, ze bleven zich om een of andere reden Sudering noemen. Hun namen zijn weer veranderd: de taal die ze spreken is de taal van de streek waar ze terecht gekomen zijn. In sommige van die streken vonden klankveranderingen plaats waardoor de naam Suudring overging in Suuring, in andere gevallen werd Sudring Suding. Van deze laatste tak kwamen sommigen in het hoge noorden terecht waar hun naam veranderde in Zuiding of Zuidinga, zoals ”muus” in ”muis” veranderde. Tot op de dag geloven zij waarschijnlijk dat hun naam iets met het zuiden te maken heeft. Van de Suring-tak verkregen sommigen ergens zeggenschap over een drassig stuk land dat ze drooglegden en bewerkten; het geslacht genoemd naar het ”Suringbroek” was geboren. Rondom 1100 had niemand nog het besef dat hun rijke akkers ooit onbegaanbaar moeras waren. Niemand weet nog wat een ”broek” was, niemand weet nog wie ”Sudo” was.

Dit zou de geschiedenis kunnen zijn van een tak van het nageslacht van Sudo. Zou het ook de geschiedenis kunnen zijn het geslacht Suurenbroek, en ”suur-” hier dus ook van Sudo zijn afgeleid? Het kan niet worden uitgesloten. Er zijn vergelijkbare samenstellingen volgens het model ”voornaam + broek”. In Belgie ligt Pietersbroek, al gaat dit niet terug op een Germaanse mannennaam. Misschien is de naam ”Rubroek” te herleiden tot ”Rudo + broek”, Rudo, wiens naam we later terugvinden in ”Rudwolf” wat ”roemrijke wolf” betekent en later Rudolf werd. Maar ”ru” kon in het middeleeuws Nederlands ook ”ruw begroeid” betekenen, en dat kan wel ingepast worden in het beeld van een ontoegankelijk broekland. En of de naam ”Okkenbroek”, een dorpje in Twente, uit te leggen is als ”moerassig land toebehorend aan de persoon Okke”, zoals de lokale website trots meldt (4), kan ook niet worden uitgesloten. Men kan zich afvragen hoe de Fries Okke in het Saksische Salland terecht kwam, maar goed, het kan. Maar dingen zijn niet altijd wat ze lijken: zo heeft de naam ”Osdorp”, tegenwoordig stadsdeel van Amsterdam, niets te maken met ”ossen”, maar is hij afgeleid van ”Ockestorp”, d.w.z. het dorp van Okke. (5) En aangezien Noord-Holland ooit Fries gebied was zal deze of gene Okke zich daar waarschijnlijk meer thuis gevoeld hebben dan in het doorgaans ten opzichte van Friezen tamelijk vijandige Saksenland.

Maar tegenover de mogelijkheid dat de twee gevallen ”Okkenbroek” en ”Rubroek” inderdaad volgens het model ” Germaanse mannennaam + broek” gevormd zijn en dat er meerdere te vinden zijn, kan men een grote hoeveelheid voorbeelden stellen die gevormd zijn volgens het model ”eigenschap + broek”. Zie de volgende opsomming, ingedeeld naar categorie:

  • Omvang/vorm: Smallebroek, Grootebroek, Langbroek, Breebroek, Rondebroek
  • Ouderdom: Nieuwbroek, Oudbroek (Oldenbroek)
  • Locatie: Woudbroek, Hei(de)broek, Zeebroek, Vennenbroek, Veenbroek, Buitenbroek, Bennebroek (Binnenbroek of het Broek van Benno?), Hogebroek, Lagebroek, Middelbroek
  • Kleur: Geelbroek (?), Zwartbroek, Zwertbroek, Blaauwbroek, Witbroek, Rooibroek (?)
  • Begroeiing: Hagebroek, Dennebroek, Berkenbroek, Eikenbroek, Rietbroek, Horstbroek

En dan zijn er uiteraard nog de genoemde namen die de windklok rondgaan. Ik sluit overigens niet uit dat ”Suring” weldegelijk ”zuiderling” betekent, evenals als men van namen als Noording, Westing en Oosting, die alle voorkomen, mag aannemen dat het afkomstnamen zijn. Noordingbroek*, Westingbroek* en Oostingbroek* heb ik vooralsnog niet aangetroffen. Omdat ”Suringbroek” wel bestaat en de andere modellen niet, is de kans groter dat ”Suring-” op ”Sudo” wijst. Over het verband tussen ”Suur-” en ”Sudo” zegt dit niets.

Tot slot kan men ook aannemen dat namen als Suring, Suding of Zuidinga qua afkomst in twee groepen verdeeld kunnen worden, een die afstamt van de naam Sudo, en een die afstamt van het het oude Germaanse woord voor ”zuid” of ”zuiders” dat iets als ”sunthira* moet zijn geweest. Op grond van de sterk op elkaar gelijkende ontwikkeling van beide stammen is dit mogelijk. Dit zou ook kunnen gelden voor andere namen met ”Suur-”.

SUUR EN ZUUR

Dan is er nog de mogelijkheid dat ”suur-” in ”Suurenbroek” hetzelfde is als modern Nederlands ”zuur”. Ik acht die kans klein, zoals ik denk aan het eind van het artikel aan te tonen, maar dat is geen reden om de mogelijkheid nader te beschouwen, immers, deze broeklanden, die veenmoerassen waren, hadden een hoge zuurgraad. Maar daar zit hem precies het probleem. Waarom zou men gebieden, die sowieso zurig waren, zodanig benoemen dat de benaming niets bijzonders toevoegt. En dat brengt ons op een belangrijke constatering uit de taalwetenschap, n.l. dat een taalelement onderscheidend moet zijn, wat vaak resulteert in een tegenstelling. De lexemen ”groot” en ”klein” lijken qua vorm totaal niet op elkaar, maar ze hangen qua betekenis samen in die zin dat ze complementair zijn: ”groot” is ”niet klein” en omgekeerd, en hun bestaan voldoet aan de behoefte van de taal, en dus de mens, om dingen te meten. Het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud wordt in het Nederlands meestal gerealiseerd door het morfeem (vormelement) ”-en”: ”dorp” onderscheidt zich van ”dorpen” door een op zich nietszeggende lettergreep ”-en”, die voorziet in de behoefte onderscheid te maken tussen ”een” en ”meerdere”. Het onderscheid tussen tegenwoordige tijd en verleden tijd wordt in ”ik rook” – ”ik rookte” ook aangegeven door een lettergreep toe te voegen, ”te”, bij ”ik loop” – ”ik liep” gebeurt dit door een ander foneem (klankelement) te gebruiken. Door de verschillende fonemen /e/, /i/, /o/ en /oe/ tussen de fonemen /p/ en /t/ te gebruiken weten we wat het betekenisverschil tussen /pet/, /pit/, /pot/ en /poet/ is. Maar wat betekent ”puut*”? Niets, en dat weten we dus dankzij het middelste foneem.

Taal maakt onderscheid waar dat nodig is. Dat kan met formele elementen in de grammatica, maar in de dagelijkse praktijk houdt het in dat als er in een gemeenschap, b.v. een familie, twee mannelijke personen zijn er een Jan heet en de ander Piet. Als er in een dorp tien Jannen zijn, dan wordt de een Jan Hendrikszoon genoemd, een ander Jan van der Molen, een derde Jan Korthals etc.. Als je buurman niet deugt dan noem je hem Quagebuur, is het een toffe vent dan heet-ie Goedegebuure. Als een drassig veenland in het zuiden ligt dan wordt het Zuidbroek genoemd, ter onderscheiding van een vergelijkbaar land dat in het noorden ligt. Maar als het drassig veenland per definitie een hoge zuurgraad heeft, en dat is het geval, wat is dan de onderscheidende waarde van die benaming. Dan is de naam een pleonasme, d.w.z een overbodige toevoeging als ”nat water”, ”witte sneeuw” etc. Namen als ”Natwater” ”Witsneeuw” of ”Groengras” ben ik niet tegengekomen.

En hoe stelde men vast dat broekland zuur was in een tijd waarin er nog geen apparatuur bestond om dat te meten? Proefde men dat? Rook men dat? Ging men dan bij een moeras langs, b.v. in het noorden, langs om te proeven te ruiken of het water of de grond misschien zuurder waren dan een broek in het zuiden? Misschien, maar waarom? Omdat het een bewerkbaarder was dan het ander, zuurder of juist minder zuur? Het is niet waarschijnlijk, want de zuurgraad speelde geen rol bij de bewerking: men groef sloten om het veen om het te ontwateren, waarna het zure water wegvloeide. Dan kan het natuurlijk zijn dat men de tot dan toe gebruikte benaming ”Surebroec”, of iets dergelijks bleef gebruiken, zoals met zoveel oude broeklanden het geval is. De vraag blijft: was de zuurgraad van een stuk broekland voldoende aanleiding om het land daarnaar te noemen.

Er is nog een andere mogelijkheid. Niet alleen in het moderne Nederlands heeft het woord ”zuur” een negatieve bijklank (”een zuur gezicht”), in het Middelnederlands, het Nederlands van de periode 1100 – 1500, was dit ook zo. ”Suer” kon b.v. ook ”verkeerd” betekenen, en het ”suer”, als zelfstandig naamwoord, ”verdriet, ellende”. Zou ”Suurenbroek” dan b.v. kunnen duiden op een moeras waar je per se weg moest blijven, als een plaats die niet deugt, en dus eigenlijk ”Ellendemoeras” betekenen. Laten we hopen van niet, hoewel men zich bij moerassen e.d. in het algemeen wel kan voorstellen dat men er liever wegbleef. Dus rijst ook hier weer de vraag: wat is de motivatie om een plaats waar je toch niet moet zijn alsnog zo nadrukkelijk te benoemen. Komt nog bij dat men er juist wel naar toe ging, immers juist om een verandering ten goede aan te brengen. Nederland, dat vroeger vergeven was van de broeklanden, is nu drooggelegd. Het niet meer gebruikte woord ”broek”, dat we nog terugvinden in talloze namen, is een weerslag van een typisch onderdeel van de Nederlandse geschiedenis.

Zoals gezegd, taalelementen zijn meestal onderscheidend. Zijn er dan behalve de naam ”Suurenbroek” ook namen als ”Soetenbroek” en ”Soeterbroek”? Ja, die zijn er, net zo goed als ”Soetenhof”, ”Soeterland” en ”Zoeterwoude” voorkomen. Dit kan een argument zijn voor de ”suur-” is ”zuur”-these, waarin ”soet” de tegenhanger zou zijn van het abstracte ”suer”, dat ”ellende” betekent. Op een plaats die met ”soet” wordt gespecificeerd moet je dus wel zijn. Goed, bij een hof (een tuin), een land of een bos kan men zich dat voorstellen. Maar bij een ”broek”? Bovendien zouden de namen ”Soeterland” en ”Zoeterwoude” de Nedelandse pendanten kunnen zijn van de Engelse namen ”Sutherland” en ”Sutherwood”, waarin ”suther-” ”zuidelijk” betekent. ”Soet-” zou dan niets met ”zoet-” te maken hebben, maar, merkwaardig genoeg ook ”zuid” betekenen, en dus een overblijfsel zijn uit de tijd dat de /oe/ nog niet in een /uu/ was overgegaan. (6) Over de mogelijkheid dat ”Soeterbroek” betrekking op een ”zoetwatermoeras” laat ik me verder, gezien mijn geringe kennis over dit soort zaken, liever niet uit. Als iemand er iets zinnigs over te zeggen heeft hoor ik het graag. Ook waarom een bos geassocieerd zou moeten worden met zintuiglijke waarnemingen als ”zoet” of ”zuur”.

DE DUITSE CONNECTIE

Met ”Sutherland” zijn andere varianten dan de Nederlandse geintroduceerd, en dat spoor zullen we blijven volgen, en wel via de naam de naam ”Suurbier” of ”Zuurbier”, die ons naar Duitsland zal leiden. Deze naam hangt waarschijnlijk wel samen met het tegenwoordige ”zuur”. Wel dient men zich af te vragen, en dat geldt voor alle namen, waarom een persoon ooit zo werd genoemd. Dat personen vernoemd zijn naar voedsel of drank is niet uitzonderlijk, zie ”Pannekoek”, ”Brood”, ”Wijn” etc.. Laten we dus aannemen dat ”Suurbier” inderdaad de benaming was voor iemand die zurig bier verkocht of brouwde. Of dit aantrekkelijk was voor klanten kan ik niet zeggen, wel dat men ook naar ”Soetebier” kon gaan. Misschien was deze ”Suurbier” een beunhaas die beroerd bier aanbood, maar dat is in een een tijd waarin gilden de vinger stevig aan de pols hielden niet waarschijnlijk. Misschien hielden sommige middeleeuwse consumenten juist van zurig bier. Hoe dan ook, de aanwezigheid van het element ”bier” in veel namen weerspiegelt het belang van bier in de middeleeuwen als volksdrank en exportartikel: Bierman, Bierenbroodspot, Biervliet (een water waar schuiten bier opgeslagen werden), Bierlee (een heuvel waar het zelfde gebeurde) etc.. (7)

Ook in het land waar men werkelijk van brouwen weet en zelfs voor bier het ”Reinheitsgebot” instelde treffen wij niet alleen de naam ”Sauerbier” aan (evenals ”Sussbier” en ”Süssbier”), maar ook b.v. ”Sauerbruch”. Volgens de reeds genoemde /k > ch/-klankwet is dit ”-bruch” ontstaan uit oudere vormen als ”-brock” en ”-brook”. Het is verleidelijk op grond van het feit dat ”sauer” in het moderne Duits ”zuur” betekent, ”Sauerbruch” als argument aan te voeren voor de stelling dat de Nederlandse pendant ”Suurenbroek” ”zurig moerasland” betekent. Maar dingen zijn niet wat ze lijken…

De geschiedenis van de naam ”Sauerland”, een streek in Westfalen, wijst in een andere richting. ”Sauerland” wordt in een document uit 1266 ”(Wesselo de) Suderlande” genoemd, uitgesproken met een oe-klank. In het Westfaalse dialect vond net als in het Nederlands de klankverandering plaats die hierboven beschreven wordt, n.l. /d > 0/. ”Suderlande” veranderde dus in zoiets als ”Suerlande”, met een oe-klank die net als in het moderne Duits wat langer wordt aangehouden dan in het Nederlands. Deze oe-klank werd in het latere Duits weer onderhevig aan een nieuwe klankwet, n.l. /oe >aue/. Dit zien we ook in de volgende voorbeelden, waarin in de Oud-Duitse woorden de ”ū” voor een lange ”oe” staat”.

  • ”Bauer” (boer) dat ontstaan is uit Oud-Duits ”(gi)būr”
  • ”dauern” (duren) uit ”dūren”
  • ”lauern” (loeren) uit ”lūren”
  • ”trauern” (treuren) uit ”trūren”, maar ook
  • ”sauer” (zuur) uit ”sūr” (8)

Klankwettig kan ”Sauer-” in de naam ”Sauerbruch” dus zowel op oudere Duitse vormen van ”zuur” als van ”zuid” teruggaan en kan men dezelfde argumentaties toepassen op beide mogelijkheden als voor het Nederlands. Dan zien wij, net als in het Nederlands, dat ”-bruch”, maar ook ”-brock” en

”-brook”, in veel samenstellingen kan voorkomen die vergelijkbaar zijn met de al genoemde Nederlandse: Neubruch, Waldbruch, Hainbruch (”hain” = ”bos”), Heidebruch, Seebruch, Weissenbruch, Oderbruch (naar de Oder?), maar ook Westbruch, Nordbruch, Ostbruch en tot slot Suderbruch, Süderbruch, Sudbruch en Südbruch. Ook vinden we namen als Suderbrook, Süderbrook (ook Osterbrook), Sudbrock (ook Osterbrock) en Surbrock. Een merkwaardige combinatie vinden op een Googlepagina. (9)

ANNEMARIE KOCH – Info zur Person mit Bilder, News & Links …

Erich Eilers (Eylers) + Annemarie Koch – PhpGedView. Annemarie Koch (I454) Geburt 1618 Süderbruch (Surbrock) Tod 1689 (Alter 71) Rodewald Mittlere… etc.

”Surbrock” lijkt het meest van alle Duitse varianten op ”Suurenbroek”, en heeft kennelijk iets te maken met de variant ”Süderbruch”, beide aanduidingen voor een dorp in Westfalen. Maar wat precies? Is de ene naam afgeleid van de ander? Dat lijkt klankwettig niet te kunnen. ”Süder-” moet ouder zijn dan ”Sur-” want het vertoont nog een d-klank, en is dus van vóór de /d > 0/ overgang. ”-brock” moet ouder zijn dan ”-bruch” want het stamt van voor /k >ch-overgang, en de twee elementen zijn verdeeld over de twee benamingen. Het kunnen ook twee oudere of nog bestaande aanduidingen zijn voor dezelfde plaats en wel een Hoogduitse en een Nederduitse, d.w.z. het Duits van de Duitse deelstaat Niederrhein-Westphalen, ook wel Plattdeutsch genoemd. Dat de twee vormen naast elkaar bestaan kan men als volgt verklaren: als oudste vorm nemen we aan ”Suderbrook”, die we ook aangetroffen hebben. ”Suder-” werd in het Nederduits ”suer-” of ”sūr-”, zoals we al zagen bij Sauerland. De schrijftaal en wellicht een zekere ”elitaire” uitspraak hielden echter vast aan ”Suderland”. ”Sud-” veranderde in het modern Duitse ”süd-”. Dit gebeurde onder invloed van het Nederlands, dat status had in de periode dat de Nederlandse Republiek een wereldmacht was en Duitsland een lappendeken van kleine vorstendommetjes, aangetast door een langdurige godsdienstoorlog. Het Algemeen Beschaafd Nederlands was nog niet uitgekristalliseerd, en een Zuidnederlandse vorm, ”zuud”, en een noordelijke, ”zuid”, vochten om de voorrang. ”Zuid” kreeg de overhand en is tot op de van vandaag ABN. In de Oost-Nederlandse schrijftaal domineerde de ”-uu-”vorm, die binnendrong in de Duitse schrijftaal en later ook voor de spreektaal de norm werd. In Duitsland in het algemeen werd de zuidelijke taal, het Hoogduits, meer en meer de norm, waardoor ”-brook” of ”-brock” werden vervangen door het ”beschaafdere” ”-bruch”. Zo zou de wellicht officiele naam ”Süderbruch” kunnen zijn ontstaan, terwijl misschien lange tijd, mogelijk tot op de dag van vandaag, het Plattdeutsch sprekende volk ”Surbrock” bleef zeggen. (10)

Dit zal nog verder uitgezocht moeten worden. Echter, als vaststaat dat de namen ”Süderbruch” en ”Surbrock” direct samenhangen, en men een verband met ”Suurenbroek” aanvaardt, dan kan men wel aannemen dat de stelling dat ”Suur-” in de naam ”Suurenbroek” op ”zuur” duidt verder uitgesloten is, want ”zuur” kent geen oudere vorm met een ”d”. De ”Sudo”-theorie kan ik op grond van deze gegevens niet uitsluiten. Met het oog op wat ik hierboven al heb gezegd over het (waarschijnlijk) geringe voorkomen van de combinatie ”mannennaam + broek” en het veelvuldig voorkomen van de combinatie ”eigenschap + broek” stel ik dat de kans groot is dat ”Suurenbroek” inderdaad ”zuidelijk gelegen drassig land” betekent, waarnaar de dragers van deze geslachtsnaam vernoemd zijn.

NOTEN: (bij ontvangst zijn waarschijnlijk gedeelten van de noten hinderlijk en zinloos onderstreept. Met ”selecteren” en ”strepen weg” verdwijnen in mijn versie de meeste, behalve in noot 8.)

  1. Wikipedia – Zuurdijk
  2. Overigens weten velen van ons als geroutineerde Tiroolgangers dat aldaar weldegelijk ”Dankche” gezegd wordt. De ”klankwet” heeft in zuidelijke Duitse dialecten het krachtigst gewerkt, en is daar dus ”over de n-klank heengegaan”. Hoe noordelijker hoe zwakker hij wordt.
  3. ”De Nederlandsche geslachtsnamen” van Johan Winkler. In zijn geheel te vinden op http://www.gutenberg.org/files/36077/36077-h/36077-h.htm#pb281
  4. http://www.plaatsengids.nl/okkenbroek
  5. http://pilot.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0363.Q0906BPSTD-VG02/t_NL.IMRO.0363.Q0906BPSTD-VG02_2.3.html
  6. Dit zou ook namen als ”Soerendonk” en ”Soerland” verklaren. Van Souburg (Middelburg) staat vast dat ”sou-” ”zuid” betekent. Dat de /oe/ ouder is dan de /uu/ blijkt uit andere varianten die van het Germaans afstammen: ”sund” (Oudhoogduits), ”soethon” (Oudnederfrankisch, de meest directe voorloper van het Nederlands), ”soethar” (Oudsaksisch) en ”soet” (Middelnederduits). Ook in het Engels ”south” is de /oe/ nog herkenbaar.
  7. Toch moet ik hier nog op een andere mogelijkheid wijzen. Het element ”bier-” in de Friese plaatsnamen Bierum en Sexbierum is afgeleid van een Oud-Fries woord ”bere”, dat ”huis” betekent. Sexbierum heette oorspronkelijke ”Seisbierum” en dat betekent ”Zeshuizen”, net zo goed als er een dorp is dat Zevenhuizen heet. Dus waarom zou ”Suurbier” niet ”zuidelijk gelegen huis” kunnen betekenen? Ik denk het niet, maar benadruk nog maar eens dat dingen niet altijd zijn wat ze lijken. ”Sexbierum” heeft b.v. net zo weinig met geslachtelijk verkeer te maken als ”Suurenbroek” met kleding, zoals wel eens gedacht wordt.

  8. Wikipedia – Sauerland, doorscrollen naar ”Begriffsgeschichte”

Overigens vinden we in New Jersey in de USA ”Sourland Mountain” en de ”Sourlands” (zie Wikipedia – Sourland Mountain). ”Sour-” wordt op deze pagina etymologisch verklaard ofwel als afgeleide van ”Sauerland”, aldus genoemd door Duitse immigranten, ofwel als ”sauer landt”, aldus genoemd door Nederlandse ”settlers”, omdat het land overduidelijk niet geschikt was voor landbouw. Alsof dat ons Hollanders ooit heeft gestopt! Aardig dat hier de ”suur-” is ”slecht”-theorie weer lijkt op te duiken, maar de vorm ”sauer-” is niet Nederlands en ook nooit geweest.

Verder vinden we op Google vrij vaak de familienaam ”Sourbrook”. Allereerst moeten we niet vergeten dat ”brook” in het Engels ”beek” betekent, en dus, hoewel het wel verwant is met ”-broek” e.d. (”gebroken land”) een heel andere betekenisontwikkeling heeft ondergaan. Ook kan de naam een verengelsing van ”Sauerbruch” of ”Suurenbroek” zijn.

Niet dat beken niet zuur (of zoet) kunnen zijn. Voor de vraag of namen als ”Suurbeek”, ”Soetebeek” en ”Zoetebeek” daar op wijzen verwijs ik naar wat ik al gezegd heb. Maar in het Noordoosten van Slowakije vindt men het al eeuwen om zijn mineraalrijke bronnen bekende stadje Bardejov, dat ligt in de vallei van een stroom die dezelfde naam draagt, maar daarbij in het Slowaaks ”Kvasný Potok” wordt genoemd, wat ”zure beek” betekent, volgens de Engelstalige Googlepagina ”sour brook.”

Over ”Suther Brook Village” kan ik niet veel meer zeggen dan dat het in de regio Vancouver (Canada) ligt en dat men er voor $1.289.000 een huis kan kopen.

  1. http://search.babylon.com/?q=eilers+koch+1689+surbrock&s=web&as=0&babsrc=home
  2. Misschien te vergelijken met ‘s Gravenhage/Den Haag, of Culemborg/Kuilenburg

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: