NOVIOMAGUS

NOVIOMAGUS

Komedie

Personages:

Noviomagus, een Romeins soldaat

Mariken van Nieumeghen

Een Burgemeesteres van Nijmegen

(Noviomagus op, marcherend op de maat van de muziek. Hij draagt een lans marcheert. Staat stil, kijkt naar publiek, presenteert.)

NOVIOMAGUS: Unus, duus, tres, quattor!

(Weer muziek, hij marcheert weer, verdwijnt even, de lans is omgewisseld voor een bezem. Hij inspecteert het terrein en begint gaandeweg te bezemen. Na enige tijd Mariken op.)

MARIKEN: Hoi!

N. Gegroet.

M: Ben jij nou aan het doen? (Hij reageert niet.) Hallo daar!

N: Het lijkt mij evident dat ik hier aan het bezemen ben, juffrouw.

M: Oh. En waarom eigenlijk… ?

N: Dat is een geheel andere kwestie.

M: Da’s ook weer zo.

N: Dus indien u werkelijk prijs stelt op de informatie die u pretendeert te willen achterhalen dan zou ik u aanbevelen tot meer concrete vragen over te gaan.

M: Ja hoor. Maarreh…. waarom ben je hier dan eigenlijk aan het bezemen dan? Volgens mij ligt hier namelijk helemaal geen stof.

N: Er ligt altijd wel ergens stof.

M: Altijd?

N: Altijd en overal.

M: En dat moet weg?

N: Stof is redundant en dient geelimineerd te worden.

M: Jaja. En dat doe je zo maar. Uit je zelf? Stof verwijderen.

N: Dat doe ik omdat mij dat is gecommandeerd.

M: Gecommandeerd? Door wie dan.

N: (Kijkt N. aan en tikt aan zijn helm.) Door wie dacht u?

M: Oh ja, natuurlijk. Maar je vindt het ook wel nuttig wat je doet?

N: (Bestudeert denkbeeldig pluisje.) Juffrouw, ik voer deze opdracht uit met alle accuratesse die mij convenieert.

M: Jaja. (Drentelt langzaam naar het bankje.) Au, verdomme. (Brengt hand naar kaak, N. kijkt op. M. kijkt ietwat gegeneerd in zijn richting.) Kiespijn. (Ze gaat zitten.) Mooi he, die rivier, zo in de avondzon.

N: (Stelt zich op achter M.) Ach ja, de Waal. Op zijn subliemst zo in de zomer. De glooiende hellingen, de groene heuvels. Dan denk ik aan thuis.

M: Waar kom je vandaan dan?

N: Uit Latium, niet ver van Rome.

M: Goh, helemaal uit Rome.

N: Ja.

M: Ben ik ook nog eens geweest. En dan kom je hier stof vegen?

N: Ik zei u al, het is mijn plicht. Wou u het soms doen?

M: (Staat op.) Ik? Nee hoor, dank je wel.

N: Dat dacht ik dus wel.

M: Ik hou thuis al de boel op orde en dat vind ik wel genoeg, hoor. Ik woon bij mijn oom. Die wordt al flink oud. Maar dat jij dat gewoon zomaar doet dat vind ik hardstikke tof.

N: Iemand moet het doen, en ik geef graag het goede exempel.

M: Voor wat?

N: Nijmegen heeft zich gecommiteerd de schoonste stad van het land te zijn.

M: Wie zegt dat dan wel?

N: (Tikt aan zijn helm.) Wie dacht u?

M: Ach ja, natuurlijk, de overheid.

N. En de NCRV.

M. De NCRV?

N. Ik weet ook niet wat dat is.

M: En jij vindt dat wel een goed idee? Dat van die schoonste stad enzo?

N: De senatoren zullen het wel weten.

M: O ja, wat weet de overheid van stof dan?

N: (Richt zich op.) Iedereen weet in zijn diepste wezen alles van stof, juffrouw. Het is ons element. (Weer bezemend.)

M: Oh, is dat zo? (Weer dromerig bij de rivier. Naar de zaal.) Geldt dat ook voor het stof dat de wind met zich meevoert… over de Waal?

N: Het maakt niet uit waar het stof vandaan komt. Er wordt hier in Nijmegen niet gediscrimineerd.

M: Nou ja, jij zult het wel weten. (Abrupt weggaand.) Doei. (Ze draait zich om bij de coulissen.) Hoe heet jij eigenlijk?

N: Mijn naam luidt Noviomagus.

M: Ik ben Marieke. Maar ze noemen me Emmy. Misschien zien we elkaar nog wel eens. Doei, Novio.

N: De naam is… (M. af, N. kijkt haar na.) …Noviomagus. (Hij veegt weer. Muziek. Burgemeester op. Ze monstert N. totdat deze haar opmerkt.)

BURGEMEESTER: Zo, beste man, lekker aan het werk?

NOVIOMAGUS: Zeker, mevrouw.

B: Wel, laat ik de handen ook eens uit de mouwen steken.

N: Bezems staan daar. (Ze haalt een bezem uit de coulissen, begint onbesuisd te bezemen. N. reageert direct geschokt-afhoudend, maar B. merkt het niet.)

B: De beste manier om een werkbezoek af te leggen is immers om te werken, nietwaar.

N: Niet… niet… zo….

B: Oh, sorry, hoe…dan… (Hij doet het voor, B. doet zijn bewegingen na.)

N: Altijd…. naar het…. centrum… toe….

B: OK, naar het centrum…. Zo, zo, zo en dan zo. (Ze bezemt, gaandeweg weer slordiger. N. werpt af en toe een blik op haar.) Jaja. Het is natuurlijk ook niet mijn vak he. Maar ik doe mijn best hoor. Ik draag mijn steentje bij.

N: Deed iedereen dat maar.

B: (Naar zaal, leunend op bezem.) Dat is nou interessant dat je dat zegt he. Deed iedereen dat maar. Als iedereen nou eens een beetje meer gemeenschapsgevoel zou tonen. (Ze bezemt weer wat onsystematisch.)

N: (N. loopt met uitgestoken hand naar het centrum.) Nee, naar het… (B. loopt op N. af en reikt hem de hand.) Mag ik me misschien even voorstellen, ik ben de nieuwe burgemeester van deze stad. (N. springt in de houding, reikt haar niet de hand.)

N: Legionnair Noviomagus, eerste cohort, tweede garnizoen. (B. gebaart met bezembewegingen dat hij weer kan doorwerken, N. imiteert de bewegingen met vragende blik en bezemt weer door.)

B: En, beste man, ben je tevreden met je werk?

N: Ik ben zeer tevreden.

B: En hoe zijn de vooruitzichten?

N: Hoe bedoelt u?

B: De promotieperspectieven?

N: In het Romeinse leger heb je altijd kans op promotie. Mogelijk schop ik het tot decurion.

B: Oh, mooi dat je ambitie toont.

N: En met nog wat cursussen misschien wel tot centurion.

B: Je moet natuurlijk kunnen doorgroeien in de gemeente.

N: Maar dat is een vrij zwaar curriculum. (Op zijn Nederlands uitspreken.)

B: Houd moed, houd moed.

N: En ik kan nog sneuvelen in de strijd tegen Germanen of Galliers, natuurlijk, of wat ons verder nog te wachten staat. Het gerucht gaat dat Caesar Brittannia wil binnenvallen.

B: Ach, die mannen toch. Vuilverwerkingsmanagement is misschien een optie?

N: Maar voor het moment ben ik heel tevreden in deze buitenpost.

B: Buitenpost? Nijmegen? (Ze observeert N. nauwkeuriger, deze bezemt nog even door, leunt dan op zijn bezem. Naar de zaal.)

N: Waar ik me wel zorgen zorgen over maak is of er wel genoeg stof zal zijn. Als ik leiding geef aan tien man en er is geen stof, wat dan?

B: Waarom zou er geen stof genoeg zijn?

N: Er was hier net een vrouw en die zei iets dergelijks.

B: Volgens mij is er altijd stof genoeg hoor. En de stad kan toch niet schoon genoeg zijn. Opgeruimd staat netjes. Toch? (N. bezemt weer.)

N: Als u het zegt.

B: Als ik het zeg…?? Zeg, beste man, je moet me natuurlijk niet zomaar geloven omdat ik de burgemeester ben, hoor. Formuleer alsjeblieft je eigen mening zeg. Natuurlijk moet je op de autoriteiten kunnen vertrouwen, want als dat niet meer kan dan is het goed natuurlijk goed mis, maar…

N: …U heeft niet al te veel geveegd.

B: Oh nee. Is dat zo?

N: Daar ligt nog nog heel wat stof.

B: Waar dan?

N: Daar.

B: Sorry, maar ik zie het echt niet, beste man.

N: Men moet daar oog voor hebben. (Socratisch docerend en rondlopend. B. deinst stapje voor stapje achteruit.) Er is fijn stof… grof stof… opwaaiend stof…kruipend stof…verdeeld stof…stof dat zich verbergt…. maar het gemeenste stof dat is… (Kijkt naar B.)

B: (Bibberig.) Ja?

N: (Naar de zaal.) Onzichtbaar stof.

B: Onzichtbaar?

N: Zo is dat. (Veegt weer.)

B: Maar als je het niet kan zien, wat geeft het dan?

N: Als het er is, dan moet het weg.

B: Maar beste man… met alle respect, hoor… is het er dan eigenlijk wel?

N: (Kijkend naar B., dan weer bezemend.) Het is er mevrouw. Ik weet het en ik zal het vinden!

B: Goed, als jij het zegt… Het is ook niet aan mij om jouw deskundigheid ter discussie te stellen natuurlijk… Ieder zijn specialiteit: ik – bestuurder, jij – stofopruimer. Mag ik je complimenteren met je inzet, beste man. Waren er maar meer zoals jij. (B af. Muziek. N. bezemt verder. M. op.)

M: Hoi. Nog steeds bezig? Nog steeds bezig met bezemen? Hallo daar, was een grapje. (N. haalt pluisje uit bezemkop, bestudeert het aandachtig. M. half tegen N., half tegen de zaal.) Nou ja, iedereen heeft zijn eigenaardigheden, zullen we maar zeggen….

N: Hehehehehehehe.

M: Gaat mij het ook aan… ‘t is jouw leven.. toch…? Iedereen moet het zelf maar uitzoeken. Zo gaat dat (ze ziet toe hoe N. het stofje zorgvuldig in het midden legt) … in het ik-tijdperk.

N: (In gedachten.) Ego.

M: Was in mijn tijd dus niet zo. Zogenaamd. Alsof we in de middeleeuwen geen eigen persoonlijkheid hadden… geen eigen verantwoordelijkheid… en alleen maar eh… marionetten van de tijdgeest waren, of zo … slaven van de kerk…Karikaturen. Dat denken jullie misschien als jullie naar die figuurtjes op de schilderijen van de gebroeders Van Limburg kijken… in de Valkhof…

N: Het schijnt dat ze de Valkhof weer hebben opgebouwd

M: Hoezo weer opgebouwd, hij staat er toch gewoon?

N: Naar verluidt is het een soort maquette.

M: In mijn tijd was de hele stad gewoon ommuurd. Met keiharde baksteen.

N: Het schijnt een doek te zijn. (Met ingehouden woede.) Hoe denk men dan in Juppiters naam een stad te verdedigen tegen de vijand met een burcht van lappen.

M: Dat begrijp ik ook niet.

N: De Germaanse horden. Dat barbaarse gebroed in hun ondoordringbare wouden.

M: Nou, dat lijkt me nou ook weer niet….

N: Dat laffe ras van bebaarde onderkruipers dat ons in die valse hinderlaag heeft gelokt bij het Teutoburger woud.

M: Ja hoor. Het is bar en boos.

N: Een stad is een centrum van civilisatie, juffrouw, en dient met kracht tegen de oprukkende woestenij beschermd te worden.

M: Tuurlijk… Rustig, rustig….

N: Evenals tegen dat kleine, miezerige, opkruipende, laag-bij-de-grondse, verraderlijke…. (Hij loopt zoekend rond.)

M: OK ben je klaar? Karikaturen dus… Nee, weet je wat karikaturen zijn, de figuren uit jullie televisiereclames…in jullie ik-tijdperk. OK, OK, ik heb me mee laten slepen door de duivel… Dat kun je dan misschien wel weer middeleeuws noemen… Maar die was wel echt, hoor die duivel… hardstikke echt…. Echt waar. (N. kijkt nu naar haar, dan weer naar het stofje.)

N: Veritas. (Bezemt weer.)

M: Ik had nee kunnen zeggen, ik had een keuze. Het was mijn verantwoordelijkheid, ja, eerlijk is eerlijk… Want wat gebeurt er nou… laat me vertellen… Mijn oom, ik woon bij mijn oom, zei ik al, die stuurt me dus naar de stad, Nijmegen dus, om boodschappen te doen op de markt. Nou, uren lopen vanuit het dorp, rotweer ook nog, geen boerenkar te zien om mee te liften enzo weetjewel. Zegt mijn oom, als je nou niet voor donker thuis kan zijn, ga dan bij je tante slapen. Mijn tante, dat is dus de zus van mijn moeder, en mijn oom is de broer van…(N. duikt op de grond) …mijn… vader….

N: (Staat op en toont het publiek triomfantelijk een denkbeeldig stofje.) Jaa! Jaa!

M: Man, daar is toch helemaal niks.

N: Dit, juffrouw, is echt, echt stof.

M: Het is niet echt, het is schijn. Net als de Valkhof. (Hoofdschuddend af.)

N: Echt…stof… (Voegt het toe aan zijn centrum weer, maakt wat rek- en strekbewegingen en bezemt energiek verder. Muziek. B. op. met plastic tas.)

B: Zo, beste man, dit zal je vast verder helpen. (Haalt pak waspoeder uit tas, zet het op de grond en maakt het open. N. onderzoekt het, kijkt er in.)

N: Reclame?

B: Nee. (N. onderzoekt verder.)

N: Stof om stof te verwijderen! (Hij bezemt weer.)

B: Stof om…. Ach, natuurlijk. Wat stom, wat stom. Jij ziet dat natuurlijk heel anders. Sorry, beste man. Het was niet mijn idee … ik neem er vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid voor, maar het was niet mijn idee. Ik heb ook helemaal geen ideeen. En dat hoeft ook niet, want goed besturen is je in de eerste plaats omringen met goede raadgevers. Met mensen met ideeen, dus. Het is volgens mij zelfs beter dat de burgemeester geen ideeen heeft. Zolang hij, of zij, maar luistert naar ideeen van anderen. Mijn voorgangster, die dacht daar anders over, die had ideeen, maar ik… (Ze kijkt naar N.)

N: Unus, duus, tres, quattor….

B: Traditie. Dat is het natuurlijk. Jij hecht gewoon aan je traditie. En daar heb je natuurlijk het volste recht toe, en daar heb ik alle respect voor. Maar… of het nou zoden aan de dijk zet….? Dat is een andere kwestie. Het is een tamelijk traag procede dat je volgt, dus of het tot resultaten leidt… daar zet ik dan weer mijn vraagtekens bij. Dat is dan weer mijn prerogatief. (N. jaagt een door de lucht zwevend stofje na, vangt het met een luid klapgebaar.) Goed, succes ermee, beste man. (B. af met tas. Muziek. N. bezemt weer. M. op.)

M: Hoi.

N: U was hier straks toch ook al?

M: Ja, maar ik dacht, ik ga nog eens kijken. Toch niet zoveel te doen, weet je. Ja, ik zorg voor mijn oom. maar die slaapt toch het grootste gedeelte van de dag. Ja, en ik wil best wat doen hoor, in de maatschappij, maar wat he? Het moet wel een beetje nuttig zijn, hoor, enne… enne… ja, bevredigend en zo he. Ik vind het allemaal so zinloos, weet je.

N: Er is altijd wat nuttigs te doen voor de res publica, juffrouw

M: Ja, dat is jouw mening.

N: Een Romeins soldaat heeft geen mening. (Leunt op bezem en kijkt dromerig naar rivier.) Na mijn diensttijd zal ik van Caesar, een klein landgoed in ontvangst mogen nemen, in een van de door het Romeinse leger veroverde gebieden. En daar zal ik dan de tijd die mij nog vergund is in vrede en rust doorbrengen.

M: Heb je niet eens stiekem een mening dan?

N: Ik zal een vrouw tot mij nemen, een plaatselijke schone, en ik zal een gezin stichten… Ik zal wijn verbouwen, gerst, rogge, wat het land biedt… Als veteraan zal ik een aanzienlijk lid van de gemeenschap zijn… Dan pas zal ik een mening hebben.

M: Nou ja, ook een manier om er tegen aan te kijken. Ik heb ook niet over alles een mening hoor, trouwens. Moet je zoveel nadenken he… vroeger deed ik dat wel. Ja, hij heeft me wel aan het denken gezet, de duivel dus, en veel geleerd ook… (Ze loopt nadenkend rond.) Nee, dan mijn tante, die had dus een mening, hee. Over mij dan he. Want weet je wat er nou gebeurt. Ik ga dus gewoon naar haar toe, zoals me oom gezegd had, het was al laat, ik haal het op geen stukken na meer naar huis. Dus ik kom daar, ik zeg ”hoi tante, kan ik hier pitten”… weet je wat zegt….? Weet je wat ze….? (N. vangt weer een stofje en bewondert zijn prooi.)

N: He he he haaa….

M: Tjeezus, man, aan jou he ik ook niks, he. Nou, de groeten hoor, zoek het maar uit… Sjeesus… (M. driftig af, B. op met stofpluim.)

B: Zo, beste man, hier heb ik iets voor jou, dat heb je nog nooit gezien. (Ze reikt hem de pluim. N. bestudeert het geval achterdochtig.)

N: Pluim?

B: Voor jou. En hier kun je dus pas echt stof mee afnemen he. Moet je eens kijken. (Ze stoft een hoekje van het podium.) Kijk! Een stofnest.

N Ahaaa. (Hij pakt de pluim aarzelend aan en begint het voorwerp te bestuderen.)

B: Tja, beste man, de vooruitgang kun je niet tegenhouden. Design dient de mens, en… het is nu eenmaal mijn taak, mijn taak als burgemeester, om de inwoners, en dus ook de werknemers van de gemeente op hun gemak te stellen en te begeleiden waar nodig. Daarvoor ga je de politiek in. (N. bestudeert stofjes die hij met de pluim bemachtigd heeft.)

N: Details.

B: Inderdaad, dan gaat het om de details. Om de mensen dus, het individu. En dan zeg ik, net als mijn voorgangster, wil je iets bereiken voor de mensen, dan moet je de mensen kennen. Dus, ik heb direct gezegd toen ik hier burgemeester werd, ideetje van mijn voorgangster, ik wil de hele stad kennen, alle wijken, alle stadsdelen. Iedereen, dat kan natuurlijk niet, maar toch, je kunt een heel eind komen….Zeg beste man, noem eens een straat?

N: Pardon?

B: Noem zomaar een straat. Waar je woont bij voorbeeld.

N: In de Valkhof.

B: Nee dat is veel te makkelijk….. Woon jij in de ….. Laat maar, doet er ook niet toe. Ik noem maar een dwarsstraat. Steenstraat, stadsbus 47, halte Druifhof. Biggelmanstraat, bus 33, halte Moenenstraat. Vraag maar, ik weet het allemaal. Ik ken deze stad door en door. Ken je feiten, dat is de allereerste vereiste in de politiek, beste man, ken je feiten. Details, inderdaad. Want zonder oog voor detail kun je geen politiek bedrijven. Zonder grote lijnen ook niet natuurlijk, maar ook… details.

Dat noem ik nou inhoudelijk beleid! (Bijna vanuit de coulissen ziet ze met tevredenheid toe hoe N. zich steeds meer bekwaamt met de pluim, dan af. M. op.)

N: (Bewonderend.) Pro forma! Pro forma!!

M: Zo, toch maar iets meer up-to-dates ter hand genomen?

N: Men kan de vooruitgang niet tegenhouden, juffrouw. Design dient de mens.

M: Zo is dat. En waarom zou je ook. Je moet daar gewoon flexibel in zijn, toch? Wat dat betreft is het ook wel een stuk beter hoor, tegenwoordig. In mijn tijd stonk zo’n stad, echt vreselijk. Ja, je ruikt het niet meer hoor, na een tijdje. Maar mensen flikkerden gewoon alles uit het raam enzo weet je, alle afval en troep. OK, nou heb je de auto’s natuurlijk en zo, enne… ja ook wel terecht natuurlijk dat mensen het daar over hebben enzo…vooral met die aso-bakken… maar toen… nou, dat was toch echt heel wat anders hoor…

N: Wist u dat de eerste urinoirs in Rome zijn geinstalleerd.

M: Oh ja, goh. Wat leuk om te weten.

N: Ook riolen, waterleidingen en aquaducten kenden wij reeds in de oudheid.

M: Werkelijk? Nou, in mijn tijd was dat dus allemaal rampzalig.

N: En weet u waarom dat wij dat allemaal al hadden?

M: Nou?

N: Omdat wij begrepen dat een gezonde geest in een gezond lichaam dient te huizen, juffrouw. En dat, ergo, een gezond lichaam alleen kan gedijen in een gezonde omgeving.

M: Aha.

N: In een stofvrije omgeving, kortom. Opgeruimd staat dus niet alleen netjes, maar…. (Hij steekt de vinger op)… houdt ook nog eens keer de demonen buitenshuis.

M: Jaja. Oh wacht, jij denkt dus dat die duivel hier in Nijmegen rondliep omdat het hier zo’n rotzooi was?

N: Duivel?

M: Jaja, het gepersonifieerde kwaad uit de christelijke demonologie.

N: Oh, da’s na mijn tijd.

M: Zo is dat. Moenen noemden we hem… Ehh, wat was ik nou aan het vertellen. Oh ja, ik kom dus bij mijn tante en ik zeg …”kan ik hier misschien blijven slapen, tante?”, begint ze me daar me even een partij uit te kafferen, zeg… ”je hebt zeker de hele dag in de kroeg zitten zuipen, je bent een slet” en weet ik wat voor shit allemaal hee. Dus ik was dus echt even helemaal hardstikke van mijn stuk, ik denk, wat overkomt me nou hee, waar haal je het vandaan… dus ik zwerf daar een beetje door die straten en die steegjes…. en wie loop ik tegen het lijf…

N: Decurion. (Spreek uit: desurion)

M: Wat?

N: Met dit instrumentarium moet ik het zeker tot decurion kunnen brengen.

M: Nou, bedankt voor het luisteren maar weer dan, he. Maar niet heus. Doei!! (Bijna af, komt terug.) Trouwens, als je nou decurion bent, ben je dan de baas over tien man over negen.

N: Tien of negen?

M: Ja, is het nou exclusief of inclusief. Vroeg ik me wel eens af toen ik die klootzak me Latijn leerde… Nou? (N. bezemt driftig.)

N: Van deze informatie zal men mij zeker op de cursus deelgenoot maken. (B. komt op met stofzuiger. De stofzuiger zet ze bij het bankje, de stang houdt ze vast.)

B: Zo, beste man, ik zie dat je mijn consult ter harte hebt genomen.

N: Deze gesteelde plumus is, zo kan ik zonder reticentie confirmeren, een excellent object om de abjecte opponent die ons staat te attakeren van repliek te dienen.

B: Ja juist. Nou, mooi zo dan. Een compliment doet wonderen; een zeer belangrijke regel uit het omgangsreglement. (Ze begeeft zich gaandeweg naar N. en probeert onhandig zijn aandacht op de stang te vestigen. N. merkt niets en blijft verdiept in zijn pluim en zijn bezem.) Hier beste man, pak aan, dit zal je kansen op promotie zeker vergroten… Zo’n pluim is aardig, maar… (N. schrikt op en neemt een verdedigende houding aan.)… daar kom je niet verder…

N: (Met opkomende woede.) Demonen. Duivels. (Er ontstaat een soort zwaardgevecht tussen de bezem en de stang.)

B: Niet bang… niet bang zijn… De vooruitgang is er immers voor iedereen… Progressie… Stap van je…. bijgeloof af … Daarom…. daarom…

N. Cave, cave! Veni.

B: ….ga je de toch de politiek in. Techniek dient…

N: In phalanx! Vidi.

B: De techniek dient toch …. ook.. de mens…. het gaat niet alleen om…. (Ze laat de stang vallen.)

N: Vici!

B: … het gaat toch niet alleen om… (N. toon de pluim aan de zaal.)

N: Pro forma.

B:… design. (Terwijl N. omzichtig de stofzuigerslang bestudeert, is de burgemeester zichtbaar aangeslagen.) … niet alleen om de vorm maar… inhoudelijk beleid…. progressie… (Ze wankelt naar het bankje en gaat zitten.) ….pro… forma… details…. (Ze kijkt afwezig de zaal in. N. gaat in haar buurt staan, kijkt in de zelfde richting..)

N: De rivier stroomt voort… de kabbelende golfjes…. zijn als kleine… onooglijke gebeurtenissen…. die tezamen…. de stroom der dingen… vormen….

B: Tja. (N. weer langzaam aan het bezemen. B. dromerig.) Dat heb je heel heel mooi gezegd…. er gaat zo veel rust vanuit…. de rivier… in zijn onbepaaldheid…. maar toch zo richtinggevend..…Ach, had ik maar wat meer tijd voor contemplatie. En als je dan de tijd een keer hebt, dan is die zo weer voorbij…in… in…

N: …. de maalstroom van wat komen gaat…

B: Ja, precies. Het is … het lijkt dan wel….schijncontemplatie. Ja dat is het…

N: De rivier weerspiegelt…

B: … al die lotgevallen die elkaar kruisen, de achtergronden, de geschiedenissen… het tomeloze gebeuren van een stad… het kolkende bestaan… de vloed der dingen… al die details… (Ze staat op, klopt denkbeeldig stof van zich af.) Nee, dat is te veel voor een rivier om dat te weerspiegelen. Een rivier moet gewoon stromen, en that’s it! Inhoudelijk beleid. OK, tijd om weer eens aan de slag te gaan. Nou, dat ziet er werkelijk brandschoon uit, beste man. Het glanst en glimt dat het een lieve lust heeft. Mijn complimenten hoor. (Ze pakt de stang). Daar ben je zo te zien nog niet aan toe. Maar goed, dat brengen ze je op de cursus dan wel bij. (Verwijdert zich kwiek en neemt stofzuiger mee. Op het zelfde moment komt Mariken op aan de achterkant van het toneel. Als B. de coulissen bereikt en M. het midden van het podium, draait B. zich abrupt om. M. en B. monsteren elkaar enkele ogenblikken, dan B. af.)

M: De werkster?

N: Mevrouw de consul.

M: Consul? Oh, consulent, bedoel je.

N: Zoals u wilt.

M: Volgens mij ken ik haar ergens van. Heb je nou ook al vuilverwerkingsconsulentes? (-) Iederen consulteert en adviseert maar tegenwoordig, maar wie doet er nou eigenlijk nog gewoon eerlijk ambachtelijk werk. Brood bakken, schapen scheren, ijzer smeden (Ze kijkt naar N.)… bezems… ontwerpen….Au. (hand naar kaak.)

N: (Trekt pluisjes uit bezemkop.) Kiezen trekken…

B: Nou, dat is nou niet echt wat ik ambachtelijk werk noem hoor. In mijn tijd dan he.

N: Ik begrijp wat u bedoelt. Extractie.

M: Barbaren!! Zonder verdoving! (Tegen N.) En weet je, toen al luisterde er niemand naar me. Echt luisteren dan… ik had gewoon hardstikke veel te zeggen… OK OK, ik heb natuurlijk een heleboel van hem geleerd, van hem, van die … smeerlap… die Moenen… geeft hem dat dan het recht misbruik van me te maken….

N: De mens is de mens een wolf, juffrouw.

M: …. hij heeft me gewoon verleid… misleid… met zijn… geleerdheid… wiskunde, astronomie, astrologie, rethorica…

N: (Kijkt op.) Rethorica?

M: Ja heb ik allemaal van hem geleerd….. Hij wist dat ik… echt dingen wilde weten. Maar niet wist waarom. Daarom heeft-ie misbruik van me kunnen maken. Hij heeft me er ingeluisd.

N: Rhetorica, zei u. Belangwekkend. In mijn jonge jaren ben ik in de leer geweest bij de grootste der redenaars. Cicero. U kent hem zeker?

M: Tuurlijk.

N: Deze vooraanstaande senator heeft mij de beginselen van de welbespraaktheid bijgebracht.

M: Wat excellent!

N: Hij heeft mij toen voorgehouden, alle kunsten kan men leren, maar alleen de welbespraaktheid komt uit het hart.

M: Dat is nou precies wat ik altijd zeg. Je moet het echt menen, anders komt het ook gewoon je strot niet uit natuurlijk.

N: Maar sinds Caesar aan de macht gekomen is doet hij er het zwijgen toe. En ik ook. (Bezemt weer. Schamper.) Politica! Ha! (B op. B en M monsteren elkaar.)

M: Oh wacht, jij bent de nieuwe burgemeesteres, he.

B: De nieuwe burgemeester, jaja.

M: Waarom noemt hij je dan consulent?

B: Consulent?

N: Consul!

B: Consul?

N: Rome werd geregeerd door een consul! Bij Juppiter, weten jullie nou helemaal niks meer van geschiedenis!

B: Ik zal het je uitleggen. Die meneer bekijkt als allochtoon de dingen vanuit zijn eigen cultuur. Hij heeft zijn eigen specifieke achtergrond, en zijn specifieke belevingswereld en….. zijn specifieke taakopvatting. En dat moet je respecteren. Waar kom jij vandaan?

M: Uit de middeleeuwen.

B: Nou, kijk eens aan, dat is al weer een stuk dichterbij. En iedereen is natuurlijk van harte welkom in Nijmegen, maar ja, je moet je natuurlijk wel een beetje aanpassen. Daar wil ik mensen graag bij helpen.

M: Dus toch een soort consulente.

B: Ja, ook wel, maar …. toch meer als een burgermoeder.

M: Burgermoeder! Gadverdamme, zeg. Dat klinkt net zo zakkig als burgertante. En met één tante heb ik wel genoeg te stellen hoor. Hou het maar gewoon op burgemeesteres.

B: OK. (Ze reikt M. de hand). Ik ben de nieuwe burgemeester. (N. springt in de houding.)

M: Ik ben Emmy. Eigenlijk heet ik Ma…. (Ze schudden elkaar de hand.)

B: (Kijken beide naar de bezemende N.) Kijk Emmy, waar het om gaat is dat je als burgemeester een luisterend oor moet kunnen bieden, maar mensen moeten uiteindelijk toch hun eigen problemen oplossen. En dat is een hele lastige exercitie. (N. begint te exerceren.) Daarom zeg ik ook altijd, je moet niet besturen, nee, je moet de mensen bijsturen en aansturen.

N: Unus, duus, tres…

M: Wat doet-ie nou?

B: Dat weet ik ook niet. Maar is het niet aan mij om de specifieke eigenheid van meneer hier ter discussie te stellen.

M: Hij heet gewoon Novio, hoor.

N: No….

B: Meneer Novio is ook maar uit een vreemde cultuur hier aan komen waaien, dus moeten wij begrip voor hem opbrengen. Daarom is het heel belangrijk dat hij werk heeft dat hem bevrediging schenkt.

M: Dat zit me toch niet helemaal lekker. Hij staat hier dan wel te vegen, maar volgens mij is hier helemaal geen stof.

B: Er schijnt altijd wel stof te zijn.

M: Altijd?

B: Altijd en overal. En dat dient geelimineerd te worden. (N’s exercitie gaat over in sportbewegingen.)

N: (Steeds luider.) Fortis! Magnis!!

M: Maar is die informatie wel juist dan?

B: Meneer Novio net als iedereen toegang… Hij wordt nou wel lastig, hoor kun jij hem niet…. Hij heeft toegang tot alle mogelijke informatiebronnen. De gemeente heeft geen geheimen, meisje, voor niemand.

M: Maar de gemeente heeft er anders wel belang bij dat Nijmegen de schoonste stad van het land blijft, niet.

B: De gemeente is wat de mensen willen. En wat de mensen willen, dat is gewoon de boel een beetje aan kant. Opgeruimd staat netjes toch?

N: Excelsior!

M: Maar waarom is gewoon schoon niet schoon genoeg. Waarom moet het nou per se weer de schoonste zijn. Dat snap ik dus gewoon niet.

B: Een beetje concurrentie kan toch geen kwaad.

M: Jij bent toch links.

N: Laevo! Dextro!

B: Ja, heel Nijmegen is links. Havana aan de Waal hee, kom op. Maar ik sta wel boven de partijen.

M: Maar het gaat links toch meer om solidariteit dan om concurrentie.

B; Mmm, ja. Het spreekt vanzelf dat ik als burgermoeder…

N: … het was toch tante?

M: Nee, gewoon consul.

B: … dat ik er naar streef iedereen deelgenoot te maken van die hechte familie van Nijmegenaren. Maar de maatschappelijke realiteit is nu eenmaal dat concurrentie vandaag de dag hoog staat aangeschreven.

M: Oh, nou, dat zal ik maar onthouden dan.

B: Dus dan zeg ik, links of niet, er is niets tegen gezonde en eerlijke concurrentie. Net als in de sport, bij voorbeeld. En het lijkt mij dat onze Romeinse vriend dat ook vindt… (N maakt atletische gebaren, rekken en strekken. werpt quasi speer met de bezem.) Sport was keihard in zijn tijd hoor….. heb je de Gladiator gezien…..

M: Ja.

B: Nou dan weet je het wel. En in Hollywood ….. weten ze wel wat te maken…. van dat soort dingen…… niet …..

N: (Heft de bezem als een gewicht.) Ben…. Hur……. Ben…….. Hur…

M: Ik weet het niet hoor.

B: Teamwork, meisje, alles komt neer op teamwork. Als burgemeester kan ik het ook niet allemaal alleen doen, en heb ik de steun van iedereen nodig. Als bestuurlijk centrum… (Ze loopt naar het midden.)

N: Ho ho ho ho!

B: Neem me niet kwalijk hoor. (N. keert terug in zijn bezemroutine.)

M Sta jij zo graag in het centrum van de belangstelling dan?

B: Nee, dat is het niet. Het gaat immers niet om mij. Maar weet je wat? Ik ben vanavond uitgenodigd voor de wedstrijd van NEC.

M: En-Ee-See, noemen we dat hier.

B: En-Ee-See, dan. Waarom ga je niet gezellig mee? Dan praten we er over in de skybox!

M: Nou, OK. Mag Novi ook mee.

N: Novi?

B: Maar natuurlijk.

M: Ga je mee naar het voetballen, Novi?

N: Qoud licet Iovi, non licet Novi?

B: Nee, voetballen.

M. Naar de Arena, zeg maar.

B: Naar NEC.

N: Nec…. vero…?

B: Nee, En-Ee-See. De Nijmeger Eendracht Combinatie.

N: Combinatio?

B: Juist. Eendracht.

N: Eendracht?

B: Eeeh. Concordia?

N: Aha, concordia. Nee, ik moet exerceren.

B: Accoord, zoals je wilt. (B. en M. naar coulissen.)

M: Tegen wie spelen ze eigenlijk.

B: Tegen Vitesse.

M: Da’s ook niks voor Novi. (M. en B. af. N bezemt door. Muziek, licht dempt. Gaandeweg leunt N. meer en over zijn bezem, knikkebolt af en toe en schrikt weer wakker. Licht op. M en B op, N. haastig weer aan het werk. B. toont M. de ambtsketen.)

B: Mooi, he. Die is dus zo 500 jaar oud.

M; Goh, net zo oud als ik. Au!

B: Nog steeds kiespijn?

M: Ja.

B: Hou dan toch ook met dat gesabbel en gooi die vieze lolly weg.

M: Jij gooit je ambtsketen toch ook niet weg.

B: Nee natuurlijk niet. Goedemorgen.

N: Gegroet.

B: Hij zal toch niet de hele nacht…. nee….

M: Oh ja, daar wou ik het nog over hebben. De keten van trots.

B: De keten van trots? Leuk ideetje he.

M: Jouw idee?

B: Ehhh, nee, van mijn voorgangster, maar… ik neem er graag de verantwoordelijkheid voor.

M: Wat houdt het nou precies in?

B: Iedere week stuur ik een Nijmegenaar op wie ik trots ben een kaart. Daarop schrijf ik waarom ik trots ben op hem of haar. Het is dan de bedoeling dat deze Nijmegenaar op zijn beurt weer een kaart stuurt aan iemand anders in Nijmegen op wie hij trots is. En die stuurt vervolgens weer een kaart naar een andere Nijmegenaar. Zo ontstaat er een keten van trots.

M: Ik vind dat nou ook echt weer zo’n overheids-PR ideetje, net als die schoonste stad. Van dat Postbus 51 gedoe, dat je wordt toegesproken als onmondig klootjesvolk, als…. een karikatuur…

B: En dat vind ik nou een heel elitaire houding van jou, meisje. Jij bent een ontwikkelde jonge vrouw. Wat had je ook al weer gestudeerd…?

M: Rhetorica, wiskunde, astronomie, astrologie…

B: Nou, kijk eens aan. Maar gewone mensen vinden dit een hardstikke leuk idee hoor. En daar doe je het toch voor. Kijk maar op de website. Kun je zo opklikken…

N: Klikken?

M: Dat lijkt me ook een beter idee. Maak er een keten van schande van.

B: Wat?

M: Zeg maar, een virtuele schandpaal.

B: Wat zeg je me nou, kind. Een virtuele… Nou praat je toch echt een beetje als een middeleeuwer, hoor, met alle respect voor je achtergrond natuurlijk, maar… Straffen, belonen. Mensen zijn toch geen dieren! (B. rinkelt onhandig met haar ambtsketen.)

N: De mens is de mens een wolf.

M: Vuilnis te vroeg buiten gezet. Huppekee, in de keten van schande.

B: Toe nou, toe nou toch…

M: Door rood gereden, nummer genoteerd, en hup je foto op internet. Stoep niet geveegd…

B: Novio, zeg jij er eens wat van.

N: Oh, bij mij thuis hameren we iemand gewoon aan een kruis, weet je wel. Fikse dikke spijker door je polsen, hier een, hier een, en eentje, tsjak tsjak tsjak, door je voeten, en hangen maar voor een dag of drie. Ja da’s lachen hoor… echt lachen… (Ziet dat de vrouwen met afschuw naar hem kijken. Bezemt weer.) maar… klikken mag natuurlijk niet.

B: Daar heb je het…

M: Jonge onschuldige meisjes verleid….

B: Dat is weer wat anders.

M: Geef het nou maar gewoon toe, het is gewoon een truc om steeds meer sociale controle te krijgen.

B: Jij verdenkt mij toch niet van een dubbele agenda! Want die heb ik helemaal niet hoor.. Ik ben een gewone straight forward burgemeester… of burgemeesteres, wat je wilt… En wat is er trouwens tegen een beetje sociale controle? Wat is er tegen om iemand eens een pluim te geven?

N: (Bestudeert stofje.) Een mirakel. Een miniscuul universum, roterend rondom een epicentrum, samengebald in een stofdeeltje… (Hij legt het in het centrum.)…

B: Kijk, neem nou Novio. Die is gewoon trots op zijn werk.

N: Zeer zeker, mevrouw de consul. Ieder deeltje dat ik bemachtig is een kleine overwinning, een bouwsteen voor een nieuw universum….

B: Nou, dat is toch enig. Ik ben trots op jou, Novio. Jij draagt je steentje met grote inzet bij en daarom ben je qua gemeenschapsgevoel een voorbeeld voor je medeburger. Ik meld je aan voor de keten van trots. (Ze neemt haar keten af. Hij weigert.)

N: Ik doe slechts mijn plicht…

B: Natuurlijk, beste man, maar je mag toch ook wel eens gewoon lekker trots op jezelf zijn.

N: (Terugdeinzend, haar met achterdocht opnemend.) Hoogmoed komt voor de val.

B: Maar, beste man, zeg nou toch geen nee tegen een gebaar. Je moet je kans grijpen… als vreemdeling … in deze tijd…. Vergeet niet, de keten van trots is toch ook een stap in je integratieproces… en staat goed op je CV.

N: Centrale verwarming?

B: Nee, je curriculum vitae. Het verloop van je carriere zeg maar.

N: Aha.

M: Wacht, ik heb nog een beter idee. (B. verlegt haar aandacht naar M., N. verzorgt het centrum als een plantje.) De keten van bescheidenheid.

B: Ga door, ga door.

N: Hoogmoed komt voor de val.

M: Maar ja, hoe meet je dat dat dan, he.

B: Tja. (Ze kijken naar N.)

M: En je kan natuurlijk moeilijk verwachten van mensen dat mensen zichzelf gaan aanmelden voor de keten van bescheidenheid.

B: Dat zit er niet in, nee.

M: En als anderen ze gaan aanmelden, dan zegt een bescheiden iemand natuurlijk nee.

N: (Prevelend.) Jajaa.

B: Da’s logisch. Want als ze ja zeggen dan zijn ze natuurlijk niet bescheiden.

M: Klopt.

B: Sommige mensen hebben zo weinig nodig he.

M: Tja. Kabbelende golfjes…

B: Of je zou het stiekem moeten doen.

M: Wat?

B: Ze aangeven.

M: Da’s toch klikken?

B: Ja dat is zo.

M: Nee, toch geen goed idee, geloof ik.

N: Vergissen is menselijk.

B: Geeft niet, blijf proberen. Dan doe je ook nog wat nuttigs.

M: Sjeesus, je lijkt mijn tante wel, hee.

N: Besturen is immers mensen met goede ideeen om je heen verzamelen. Dan kan ook je tante zijn.

M: Goeie ideeen? Zoals dat gedoe met de grootste Nijmegenaar aller tijden?

B: Bij voorbeeld, ja. Oh dat vindt jij natuurlijk ook allemaal weer Postbus 51-gedoe en misplaatste concurrentie.

M: Volgens mij is het een poging om een uit Engeland en Duitsland gejat televisie-idee op onbeholpen wijze over het hele land te versnipperen?

B: OK OK, dat is het ook, maar het is ook een poging om discussie op te wekken in de gemeenschap…. om lokaal gevoel te creeren… stadsgevoel…gemeenschapsgevoel.

M: Weet je dat ik zelf ook op de lijst sta?

B: Ach. kom nou toch.

M: Ja hoor. Marieken van Nieumeghen. Kijk maar.

B: En je zei dat je Emmy heette.

M: Ja, maar toen ik met de duivel op stap ging toen wilde hij dat ik me Emmeke noemde. Omdat Marieken hem aan Maria deed denken.

B: Vanuit zijn standpunt zeer begrijpelijk.

M: Vond ik dus ook best wel. Dus toen ben ik me maar Emmeke gaan noemen. En dat is toen Emmy geworden.

B: Tjaja. Eens even kijken, Marieken van Nieumeghen, ja ik heb wel een uittreksel gelezen op school… was een mirakelspel, niet… maar ik weet het niet precies meer…. De duivel zei je… Ja, dat geloofden jullie toen natuurlijk.

M: Nou ja, en hij heeft me toen meegevoerd naar Antwerpen… en daar liep het dus gierend uit de hand… tweehonderd doden weet je wel….

B: Tweehonderd doden. Maar dat is toch vreselijk. Was het een terreuraanslag?

N: Niets dan angst hebben wij te…

M: Nee, maar luister nou gewoon eens een keer. Ik zat daar gewoon mooie poezie te reciteren, en dan begonnen ze te knokken…

B: Maar dat is toch onbegrijpelijk.

M: Ja ik snapte er ook niks van.

B: Nou ja, dat moet je dan maar met de gemeente Antwerpen opnemen, want daar kan ik van hieruit niks aan doen. Dit is Nijmegen… Maar ik moet nu toch zo langzamerhand weer aan het werk… De publieke zaak wacht…

M: Ik wil ook best wat nuttigs doen voor de gemeenschap, maar ik heb geen zin in politieke spelletjes. De schoonste stad, de grootste Nijmegenaar, de keten van trots. Het zijn allemaal trucs om de mensen van de echte problemen af te houden.

N: Brood en spelen.

B: En wat zijn die problemen dan wel?

M: Nou ja, weet ik veel…. de duivel enzo….. weet je wel…. die loopt hier maar mooi gewoon rond.

B: Maar moeten we dan de kant van gemeentelijk exorcisme op gaan?

M: Mijn oom was exorcist.

B: Maar vast niet in dienst van de gemeente. (Denkt na.) Ken jij Jos Stelling?

M: Ja, die heeft een film over mij gemaakt.

B: Precies. Hij zegt dat het maken van een film eigenlijk het vrijwillig creeren van een hoop problemen is die je dan zelf weer moet oplossen.

M: Dus je zegt het eigenlijk dat het mijn schuld is dat de duivel hier rondloopt.

B: Nee, zo bedoel ik het niet…

M: Zoals Novi dan, die hier stof loopt te zoeken dat er niet is.

B: Novi heeft vanuit zijn cultuur het volste recht te geloven dat hier stof ligt. Daar heeft de overheid niets mee te maken.

M; Nee, maar het komt jou wel goed uit, toch. Met je schoonste stad.

B: Dat is jouw mening. Ik zeg: een schone stad is een zaak van iedereen.

M: Wist je trouwens dat er in Rome al urinoirs waren?

B: Werkelijk. Die mannen toch. Nogmaals, een schone stad is een zaak van iedereen. Maar de duivel, daar kan ik bestuurlijk gesproken dus niks mee. Verjaag je demonen! Ga gewoon iets doen. Werken helpt. Pak nou eens een bezem en help die man een handje. Ik zal het je voordoen. (Ze pakt een bezem.)

M: Daar heb ik helemaal geen zin an.

B: De jeugd van tegenwoordig is zo egoistisch, dat vreselijke ik-tijdperk. Jullie hebben zo weinig gemeenschapsgevoel tegenwoordig. Dat zal Novio toch met me eens zijn.

N: De res publica gaat mij aan het hart, mevrouw.

B: Zie je wel.

N: Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.

B: Hmmm… ja… ja…

N: Als we nu allemaal eens de handen uit de mouwen zouden steken, en niet op onze luie krent zouden blijven zitten, dan zullen wij de gemeenschappelijke vijand met kracht het hoofd kunnen bieden. Onder een krachtige leider….

B: Wel, het wordt toch echt mijn tijd.

N: …een groot Nijmegenaar….

M: Nee, nee, wacht nou even.

N: Een sterke man met visie….(tegen publiek met opgeheven dreigende vinger) … dan zal Fortuna tot ons wederkeren. (Bezemt weer.)

M: (Spottend.) Ja, hij bekijkt dat vanuit zijn eigen cultuur he.

B: Nou ja, ik ben ook maar een eenvoudige gekozen consul….

N: Consuls werden benoemd.

M: Ja, zou ik ook zeggen. Jij bent toch benoemd?

B: Nou ja. Maar als de mensen willen, dan kunnen ze de burgemeester kiezen. Binnenkort dan.

M: Leg jij Novi dan maar eens uit waarom jij dan zo’n goeie burgemeester zou zijn. En waarom hij hier moet bezemen.

B: Maar dat weet hij toch zelf het beste.

M: Stel je je hem maar voor als kiezer. (N. kijkt onbeweeglijk leunend op zijn bezem naar B.)

B: Nou, goed dan. Stof… is waaruit wij allen gemaakt zijn…. deeltjes… details….. het stoffelijke…. is noodzakelijk om het onstoffelijke, het hogere, het geestelijke, het kosmische zo men wil…. te ondersteunen….

M: Niet slecht, maar het klonk toch niet echt overtuigend. Houd het simpel, spreek zijn taal. Pak die camera daar nou eens en neem een echt strijdlustige houding aan….

N: Veni…

M: Zoals hij dat doet. OK, nog een keer. Rechtop, neus omhoog, kin vooruit, diep ademhalen. en laat die tekst maar komen. Je moet er echt in geloven, want anders komt het je strot niet uit. Je hebt een slag te winnen. Laat dat zien…

N: Vidi….

B: Er is fijn stof… grof stof…. opwaaiend stof…kruipend stof…. verdeeld stof…. stof dat zich verbergt…. maar het gemeenste stof dat is…onzichtbaar stof.

N: (Applaudiseert traag.) Vici.

M: Zie je wel.

B: Goh, dit is eigenlijk nog wel leuk ook. Als de campagne begint dan…

N: Naar Brittania!

B: …dan benoem ik je tot mijn campagneleider.

M: Nee hoor, mij niet gezien. Kiezers trekken…. niet mijn pakkie-an.

B: Maar dit is toch je kans om iets nuttigs te doen.

M: Ik hoef niet zo nodig

B: Dan weet ik het ook niet hoor.

M: Heb jij altijd zo graag burgemeester willen worden dan?

B: Ik, nee hoor. Als kind wilde ik tandarts worden, want dat was mijn vader ook. En toen actrice, want dat was mijn moeder. Dan beeldde ik me in dat ik de koningin was, dat ik iedereen zou helpen en dat ik het hele land van de ondergang redde. En dat iedereen van me hield. Maar ja, ik was niet goed genoeg om te acteren. Mijn zus wel, die kon alles… Wiskunde, rhetorica, astrologie, astronomie…

M: Oh ja, echt?

B: Ik kon eigenlijk niet veel. En zo ben ik gaandeweg in de politiek terechtgekomen.

M: Nou ja, daar mee kun je mensen toch ook mee helpen.

B: Dat is dus het probleem. Jou kan ik niet helpen met je duivel. Novi snapt niet wat een stofzuiger is… (Ze gaat zitten.)

N: De rivier stroomt….

B: Soms voel ik me behoorlijk overbodig. (M. gaat naast B. zitten.)

M: Au.

B: Heb je pijn?

M: Gaat wel. Weet je, mijn oom zegt het ook hoor. Hij zegt, Marieke, hij is eigenlijk de enige die me Marieke noemt…

B: Logisch, familie.

M: Je bent nu oud en wijs genoeg om je eigen probleem op te lossen.

B: Maar hij was toch exorcist, zei je.

M: Ja, maar hij heeft zich ontwikkeld tot een volbloed anarchist.

B: O ja, vandaar. (Ze zwijgen.)

N: … de kabbelende golfjes….

B: Eigenlijk wil ik alleen maar dat de mensen van me houden.

M: Zoals van de koningin. Die iedereen redt. En helpt.

B: Ja. Vroeger, als die bange patienten dan bij mijn vader op consult kwamen dan… dan beeldde ik me al in, dat ik ze moed insprak….dan troostte ik ze… wees maar niet bang… het gaat allemaal voorbij … dat er een betere wereld zou komen…. Maar ja dat idealisme, dat slijt… het verwaait….

N: … kleine onooglijke gebeurtenissen….

B: Precies. Details.

M: Of van hun moeder.

B: Wat?

M: Dat de mensen in Nijmegen van je houden alsof je hun moeder bent.

B: Ja, ja, als de burgermoeder. Was het maar waar. Je doet het namelijk nooit goed weet je, als bestuurder. Als er problemen zijn krijg je de schuld, en als de problemen worden opgelost heeft iemand anders het gedaan. Daar kan ik nou kwaad om worden. (Ze staat op en begint onstuimig te bezemen.) Nou vooruit, moeder dan maar. Hup jongens, het huis moet aan kant. Opgeruimd staat netjes. Benen even omhoog graag. Moeder moet stofzuigen. En om zes uur staat het eten op tafel …. voor de Nijmeegse familie. Kiezers, burgers, ha…. ruim je eigen rotzooi op… in je schoonste stad…. En wie moet de afwas ook weer doen…

N: Niet zo, niet zo.

B: (Tegen N.) Weg jij. (Tegen M.) Zeg kun jij ook niet eens even helpen, zus. Er ligt hier namelijk overal stof, weet je. En dat moet ge-e-li-mi-neerd worden.

M: Ik heb kiespijn ook hoor.

B: Ga dan naar de tandarts. Maar blijf hier alsjeblieft niet zitten neulen.

M: Zeg moet je eens horen. Je bent de koningin niet hoor.

B: Nee, maar ik ben wel overbodig. En de koningin lekker ook.

N: Naar…. het centrum.

M: Nee, dat is niet zo. De koningin spreekt de mensen moed in.

B: Dat probeer ik toch ook. Met de keten van trots en weet ik veel. En wat doe jij, jij gaat dat lopen afkraken en flauwe grappen maken. (Ze gaan weer zitten)

N: Unus duus tres….

M: Het is trouwens nuilen.

B: Nee hoor het Nijmeegs dialechtwoordenboekje van Jansse geeft neulen.

M: Wie komt er hier nou uit Nijmegen zeg. Leer jij Nijmeegs uit een woordenboek?

B: Je moet de mensen leren kennen. Details. Je moet toch wat… als burgermoeder.

N: Quattor, quinque (kwinkwe), sex…

M: Is het nou eigenlijk burgemeester of burgemeesteres.

B: In de raad zeggen we altijd burgemeester en wethouders, omdat… ja waarom, dat zeg je nou eenmaal zo?

M: Je zegt toch ook koning en koningin.

B: Je mag natuurlijk zeggen wat je wil, hoor. En een heleboel mensen die doen dat ook, hoor, die hebben het over de burgemeesteres van Nijmegen. Als ik ergens kom of zo, ja hoor, die zeggen gewoon burgemeesteres.

M: Maar zelf houd je het op…..

B: … als ik zelf ‘s ochtends voor de spiegel sta dan zeg ik ook… hoewel… nou, in het begin zei ik wel degelijk burgemeesteres als ik voor de spiegel stond… maar nu weet ik even helemaal niet meer wie of wat ik ben… koningin, moeder, burger dit burger dat…

M: (Tegen N.) Hoe doen jullie dat eigenlijk?

N: Ons wordt gezegd wat we moeten doen.

M: Nee, ik bedoel burgemeester of burgemeesteres.

N: (Aarzelend.) Rector, rectrix… Conducteur, conductrix…

M: Conductrice.

N: O ja? Rex, regina.

B: Caesar? (N. denkt even na.)

N: Caesar.

B: Zie je wel. Het maakt ook niet. Als je je vak maar goed beoefent…

M: Het maakt een heleboel uit. Ik wil zometeen wel weten waar ik op stem.

B: Weet je wat het is. Ik moet juist niets zijn, neutraal. Boven de partijen staan. En dan is het beter een onbeschreven blad te zijn…. blanco… doorzichtig… onbestemd… als het stof, dat wordt aangevoerd over de Waal…. (N. klapt) … leeg… vacant…

M: Je praat als een machtsvacuum.

N: Fortuna. Fortunatus.

M: Heeft-ie ‘t nou over Pim?

B: Kan toch niet…

B: Ik ga maar weer aan het werk. Ook al ben ik niks. (Wil afgaan.)

N: Ego, ega.

M: OK bedankt, Novi, ga maar weer onzichtbaar stof vegen. (B. draait weer om.)

B: En jij bent nog steeds niet van plan die man een handje te helpen. Jij loopt hier maar rond te slenteren en iedereen de les te lezen.

M: Maar ik mag toch wel vragen stellen.

B: Ja natuurlijk, dat moet je ook doen. Maar je moet niet zo nuilen.

M: Ik wil alleen maar dat er een keer iemand naar me luistert.

B: Maar iedereen kent je verhaal toch al.

M: Ja?

B: Van school.

M: Daar geloof ik helemaal niks van. Voor zover ik weet wordt er helemaal niet meer gelezen op school.

N: Niet voor de school leren we, maar voor het leven.

B: Nou, kom jij maar eens mee. Dan gaan we koffie drinken en dan moet je het me allemaal maar eens rustig vertellen. Ik krijg ook wat van die tegeltjeswijsheden. (Bij de coulissen kijkt ze nog even om. N. haalt weer een pluisje uit de kop van de bezem en contempleert het.)

N: Hehehehehehe!

B: Het is een aardige man hoor, maar of het nou een groot denker is.

M: Hij zegt dat hij rethoricus is.

B: Oh ja? (M. en B. af. N. stelt zich op in het midden van het podium.)

N: Over de toegevoegde waarde van de grote mond. Tractaat. In een tijdsgewricht waar in een ieder gelijk is aan een ander, waarin van een ieder gevraagd wordt zijn stem te laten horen en waarin de massa’s door de media worden opgezweept op luidruchtige wijze van zijn, of haar, innerlijke beroeringen te getuigen, in zulk een tijd en onder zulke omstandigheden kan zich slechts een gevolg aandienen, namelijk een overrompelend gekrakeel. Het zich onthouden van een onbesuisd weerwoord op al hetgene dat het levenspad van de eenling toevalligerwijze doorkruist, het in stilte en teruggetrokkenheid overdenken van het voor en het tegen, van oorzaak en gevolg en het bespiegelend overdenken van de menigvuldigheid der invalshoeken die iedere zaak aankleven, kortom, het zwijgen, is met dommekracht teruggedrongen en veroodeeld tot een achterhoedegevecht. Het zwijgen, dat sieraad der wijzen, van diegenen die uit de alledaagse opeenhoping van details de grote lijn der historie destilleren, in het middelpunt waarvan… (Hij begeeft zich naar het centrum. B. en M op, N. geschrokken weer aan het bezemen. M. heeft gehuild en snikt nog na.)

B: Nou, Marieke, ik had me echt niet gerealiseerd dat het zo’n indringende ervaring voor je is geweest zijn. Maar kop op, meid, je moet verder. En je weet wat ik je heb gezegd.

M: Dus hij bestaat echt niet?

B: Nee, hoor de duivel bestaat niet.

M: (Huileriger.) Maar waarom staat hij dan wel op de lijst van de grootste Nijmegenaars?

B: Tja, potjandorie, die moet daar onmiddelijk van af.

M: Au… verdomme…. (Ze gooit de lolly weg. N. jaagt er achteraan.)

B: Heb je pijn?

M: Ja.

B: Laat eens zien dan. (Ze kijkt in M.’s mond.)

M: Ik laat al mijn kiezen trekken.

B: En dan denk je dat het probleem is opgelost. Nee, zo werkt dat niet, Marieke.

N: Grof vuil. (Hij gooit de lolly in de coulissen.)

B: Tjezus, wat een gebit zeg.

M: In mijn tijd konden ze alleen maar trekken, weet je… Zonder verdoving….

B: Maar dit is de moderne tijd, hoor. Ik ben dan wel geen tandarts maar ik heb wel iets opgestoken van huis… (Tegen N.) Help jij even, Novi.

N: De naam luidt….

B: Even niet nuilen alsjeblieft. Geef mij die pluim eens. (B. maakt aanstalten de steel van de pluim in M’s mond te steken, N. gaat er voor staan.)

M: Ben je voorzichtig.

B: Rustig maar. Er is fijn stof…. grof stof…

N: opwaaiend stof…. kruipend stof….

B: ….maar het gemeenste stof dat is…

N en B: Onzichtbaar stof. (Ze maakt trekkend gebaar. N. draait zich om naar publiek en bestudeert het getrokken voorwerp.)

N: Extractie!

B: Nou, ik weet niet wat het was….

M: Het deed helemaal geen pijn.

B: Nee, het is toch mijn job om de mensen met welgekozen woorden in slaap te sussen. (Ze veegt haar handen af aan de pluim. N. bestudeert het voorwerp, legt het in het midden.)

M: Misschien had je toch beter tandarts kunnen worden.

B: Ach nee, in de jaren zeventig deed je nou eenmaal niet wat je ouders deden. (N. heeft rugpijn.) Ach, beste man. Houd jij je wel aan de voorgeschreven werktijden. En er is ook zoiets als een CAO he. Nou, laat ik de handen eens uit de mouwen steken. (Ze haalt de andere bezem te voorschijn en begint als een bezetene te bezemen.) Zo, zo, zo en zo. Ja, precies zoals je het me geleerd hebt. Ik weet het nog wel. Zo, en zo. (N. kijkt er hoofdschuddend naar. M. is ondertussen naar het centrum gelopen en heeft het voorwerp dat uit haar mond kwam in de hand genomen en bekijkt het.)

N: Mevrouw de consul!

B: Ja, Novi, ik kan het nu ook, hoor.

M: Geef nou eens hier die bezem.

B: Waarom? Opgeruimd staat netjes toch.

M: Geef hier! (M. pakt haar de bezem af en gooit hem in de coulissen.)

B: Nou zeg!

M: Jij moet hier niet de werkster gaan uithangen. Dat is allemaal populistisch gedoe.

B: Maar…

M: Hij… die simpele ziel daar… zie je hoe hij werkt … met wat voor overtuiging. Jij doet het alleen maar om je populair te maken… dat doen jullie politici allemaal.

B: Maar….

M: De tandarts gaat toch ook niet voor vuilnisman spelen. Jij moet besturen, of bijsturen, of aansturen of hoe je het ook noemen wilt. Maar je moet afstand houden.

B: Maar, meisje toch… net waren we toch… je hebt me je hele verhaal… ik heb je een luisterend oor geboden…

M: Ja en daar wil je dan gelijk politieke munt uitslaan. En daar hebben wij, wij, jouw eventuele kiezers, dus genoeg van. Je probeert ons te paaien met de de schoonste stad, de keten van trots, de grootste Nijmegenaar. Dring je niet op, politica! Niet aan mij, niet aan Novi.

B: Maar… ik heb je toch genezen zelfs.

N: Oh ja, dacht je dat. Nee hoor, ja ik snap het ook nu pas. Maar laat me dan ook even rustig vertellen.

B: Nou, kort dan. Maak er een even uittreksel van, dan hoeven ze op school ook dat hele geval niet meer te lezen.

M: Toen ik die hele shit met Moenen, de duivel dus achter de rug had, toen ben ik met mijn oom naar Rome gegaan…

N: Bent u ook in Latium geweest? Mijn oom en tante…

B: Eventjes niet, Novi.

M: Om boete te doen bij de paus.

B; Bij de paus. Toe maar hee.

N: Als me dat geen deus ex machina is.

M: De paus heeft me toen vergiffenis geschonken maar me een straf opgelegd. Dat ik een ring moest dragen, die me zou binden, en kwellen, totdat die er afviel.

B: En…en…

M: Die zat dus in mijn mond.

B: Aha. Maar… die heb ik er dus uitgehaald.

M: Met een stofpluim zeker. Nee hoor het was gewoon het moment dat ik hem kwijt moest. (Ze geeft de ring aan N.)

N: (Toont de ring aan het publiek.) Het universum is een ring, een keten van gebeurtenissen, een omslingering van hetgeen was en hetgeen komen gaat….

B: Oh. Dus ik ben eigenlijk helemaal niet van nut geweest?

M: Jawel, maar niet als arts. Hooguit als zuster.

B: Dus heb ik nog een zuster er bij. Alweer een eentje die alles kan.

N: Wiskunde, rhetorica, astrologie, astronomie.

B: Als ik dan nergens voor deug, dan kan ik beter het bijltje er bij neerleggen. (Ze wil haar ambtsketen afnemen.)

M: Nee, nee, blijf jij maar burgemeester. Of burgemeesteres. Maar speel verder niet voor tandarts of schoonmaker. Of koningin. Je bent niet helemaal overbodig, weet je. Wij snappen heus wel dat als niemand het land bestuurt het een grote puinhoop wordt. Iemand moet het doen. Net zo goed als er iemand moet vegen.

B: Nou ja, vooruit dan maar.

N: Draag uw ketenen.

M: Hee, maar moet je eens horen, ik moet weer gaan. Mijn zieke oom wacht op me, op de boodschappen.

B: Dat is heel mooi van je, Marieke. Weet je, misschien moet jij toch maar de grootste Nijmegenaresse worden.

N: (Knielt en biedt haar de ring aan.) Noviomaga?

M: Nee dank je, Novi. Ik blijf liever nog even op mezelf. (Tegen B.) Hoor je nou wel wat ik zeg, ik wil helemaal niet de grootste zijn. Ik ben liever gewoon…. gewoon…. middelmatig. Novi, kijk eens daar!

N: Sluipstof!

M: Er op af, Novi! (Tegen B.) Weet je, als ze nou toch iemand tot grootste Nijmegenaar kunnen kiezen die niet bestaat, neem Novi dan.

B: Dat is niet aan mij om dat te bepalen.

M: Je kan toch campagne voor hem voeren.

N: Naar Brittania!

M: Wie kent Novi nog, na 2000 jaar, dat stofje in de geschiedenis, weggeblazen uit Latium. Voortgedreven door de wind der geschiedenis, en hier aangewaaid over de Waal. Een kleine man, een onbekende…

B: … een onbekende soldaat?

M: Juist, juist. Al die onbekende Nijmegenaren… Zoals mijn oom.

B: Tja. Verdomd zeg, dat die PR-mensen daar nou niet op komen, he.

M: Ach PR….

N: Pax Romana?

B: Nee, PR, dat betekent wat anders tegenwoordig.

M: Nou dat is dan dan mooi opgelost, he.

B: Inderdaad. (M. en B. maken aanstalten om af te gaan. Ze stellen zich vooraan het podium en kijken naar de rivier.)

M: Wat drijft daar nou?

B: Ik weet het niet. Het is toch geen lijk, hoop ik.

M: Dit is Amsterdam niet hoor.

B: Als of dat alleen in Amsterdam gebeurt

M: Nijmegen was wel de meest misdadige stad van Nederland, niet zo lang geleden.

B: Is dat zo? Dan heb ik het nog niet eens zo slecht gedaan. (Ze kijkt in de verte.) Ach verdraaid, het is die bezem van jou.

M: Ja! Nou zie ik het ook. Goh. (Ze kijkt nog even, gaat dan af maar stopt bij coulissen en kijkt achterom.) Ga je mee?…Zus…. Kun je mijn oom leren kennen. (Ze kijken elkaar nog even aan, dan M. af. B. staart nog even in de zelfde richting, volgt dan M. Muziek. N. begeeft zich schuifelend naar de plaats waar B. en M. net stonden, kijkt langzaam met de bezem mee die door de Waal wordt meegevoerd. Doek.)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: