Gebruiksaanwijzing en nieuwe berichten

Op de moederpagina ziet u boven de titel ”Gebruiksaanwijzing en nieuwe berichten” de namen van de categorieen die u door middel van doorklikken kunt bezoeken. Wanneer u de cursor op een categorie zet lichten daaronder subcategorieen op, die u ook door aan te klikken kunt bereiken.

Hieronder vindt u de meest recent geplaatste berichten.

VOOR WIE NIET STEMMEN WIL

(Een vrolijke verkiezingsvertelling)

(12 februari 2017) ”Bij Gog en Demagog” prevelde de grijsaard terwijl hij nog eens door de onwelriekende brij in zijn ketel roerde. ”Laster en verbaster”, voegde hij er met een vals lachje aan toe, een handvol zwartzaad over de borrelende massa strooiend.

Vraag me niet hoe het kan, maar deze duistere spreuken bleven niet zonder gevolgen in het land. Met het naderen van de Tweede Kamerverkiezingen leek er een vreemde waas neer te dalen over de stemgerechtigden. Steeds vaker werd de roep om niet te gaan stemmen gehoord en steeds vaker werd deze met instemming begroet.

”Waarom zou je gaan stemmen. Ze belazeren je toch waar je bij staat.”

”Leugenaars zijn het, allemaal,” zo weerklonk het in de straten en de kroegen. Maar niet alleen daar! Ook in de partijbureau’s en de stadsdeelkantoren hoorde men het steeds vaker: ”Alle politici zijn schurken!” en terwijl de volksvertegenwoordigers en bestuurders aanvankelijk nog, zoals zij gewoon waren, naar elkaar wezen, begonnen zij die je gisteren nog belazerden waar je bij stond gaandeweg zichzelf te beschuldigen en zonder aansporing spijt te betuigen.

”Ik zal het nooit meer doen,” huilde men, of: ”Ik bied mijn oprechte excuses aan”. En zij traden allen af.

”Slangen op hun pad!” kraste de oude magier, terwijl er een met de kille oostenwind meegevoerde kraai op zijn schouder landde. ”Niet stemmen, maar spemmen!”, en zijn akelige schater weergalmde zo luid dat de kraai van schrik even opfladderde.

Op verkiezingsdag leek het alsof de gehele bevolking in een roes geraakt was. Over de verkiezingen werd niet gesproken, radio en TV zonden de hele dag stemmige muziek uit in plaats van te berichten over exit polls, en in de stembureau’s werd geklaverjasd en vouwde men vliegtuigjes van de stembiljetten. Maar er was een man aan wie dit allemaal voorbijgegaan was, een geblondeerde parlementarier die al jaren in afzondering leefde en op wie de bezweringen van die nare tovenaar dus geen vat hadden gehad. En hij ging wel stemmen, als enige…

Toen aan het eind van de avond door een niet nader te verklaren samenloop van omstandigheden bekend werd dat die ene parlementarier en zijn partij, die overigens een eenmanspartij was, honderd procent van de stemmen had gekregen, lachte de Blonde kort en beval een trawant hem naar het Binnenhof te rijden. In de vergaderzaal waar hij zich zo vaak tegen onrecht en verval had teweer gesteld nam hij plaats op de zetel van de voorzitter, pakte de hamer van het bureau en bezegelde met een kloeke tik het lot van zijn volk. In het Westerpark snoof de grijsaard de gezonde ijzige wind diep in, doofde het vuur onder zijn ketel en strompelde onaangenaam kakelend uit deze vertelling.

De volgende dag werd de Blonde door het staatshoofd honderdvijftig maal de eed voor de Tweede Kamer afgenomen en benoemde hij zichzelf tot alle ministers. Zijn eerste decreet betrof het in een doorgangskamp plaatsen van alle Nederlanders met een Arabisch klinkende achternaam. Van zijn politieke tegenstanders was Alexander Pechthold de eerste die die dag werd gearresteerd. Er volgden velen.

De ochtend daarop vlogen bij dageraad de eerste helicopters over de Staatsliedenbuurt…

 

KWALIBELS

(11 augustus 2015) Naar verluidt (voorover men nog horen kan) ondervinden bezoekers van concerten waar men op een decibel minder of meer niet kijkt steeds meer hinder van geluidsoverlast die mogelijk leidt tot gehoorbeschadiging. De bedreigde luisteraars, meest jongeren, menen dit probleem te kunnen oplossen door gebruik te maken van oordoppen. Bij deze maatregel worden zij niet alleen gesteund door gezondheidsinstanties, maar meer nog door handige ondernemers die al snel begrepen hebben dat de hedendaagse jonge muziekconsument zich niet wil laten afschepen met een schelpje van een paar euro, maar zijn bescherming ook een hip voorkomen wil laten hebben, en bereid is daarvoor in de goedgevulde buidel te tasten.

Dat dit alles tot het zoveelste gigantische commerciele succes zal leiden staat nu al vast, en men moet de markt nu eenmaal de ruimte gunnen. Op het gebied van preventie verwacht ik echter geen enkel resultaat. Ik baseer dit op een stelling, die ik heb ontwikkeld op grond van zo’n 45 jaar muziekobservatie. Deze stelling luidt: naarmate de kwaliteit van de muziek beroerder wordt neemt het aantal decibels evenredig toe. In een formule:  – KWA = + DEB.

Deze stelling heeft als gevolg dat, aangezien de kwaliteit van de popmuziek afneemt, het geluidsvolume zal toenemen, zodat geluidsconsumenten steeds weer nieuwe en sterkere geluidsdempers zullen moeten aanschaffen. Marktpartijen zullen bij deze tendens welvaren, maar gezondheidsinstanties hebben een ander oogmerk, namelijk de bescherming van de nationale gehoorscapaciteit.

Mijn voorstel is daarom dat er een van overheidswege bepaald kwaliteitscriterium voor muziekuitvoeringen komt, op grond waarvaan potentiele bezoekers kunnen bepalen of zij een evenement al of niet willen bezoeken. Ik stel voor het hierin te hanteren criterium ”kwalibel” te noemen.

Nader valt bezien hoe de kwalibel geinstrumentaliseerd kan worden. Een ijkpunt zal noodzakelijk zijn, wellicht meerdere. Om te beginnen stel ik voor het onderstaande live concert van Creedence Clearwater Revival uit 1970 als een mogelijk ijkpunt te gebruiken. Het aantal kwalibels hiervan stel ik op 98, op een schaal van 100. Om hoeveel decibel het hier gaat weet ik niet, maar aangezien er bij uitvoeringen uit die tijd alleen een stapeltje boxen op het podium stond zal het in vergelijking met hedendaagse concerten niet veel zijn.

https://www.youtube.com/watch?v=KkX-7wEA3dc

DE WAARHEID OMTRENT RAP EN TECHNO

(10 augustus 2015) Rap en techno zijn in de jaren dertig ontwikkeld op last van Stalin. De opdracht luidde een zielloze muziek te creeren die het moreel van jongeren in Westerse landen zou ondermijnen. Daartoe werden tekstschrijvers (”de ingenieurs van de ziel”), componisten, mathematici, cybernetici en werktuigbouwkundigen aan het werk gezet in een gesloten stad, zoals je die toen in de Sovjet-Unie had. Toen het concept van wat men ”autonome repetitieve monotonie” was gaan noemen min of meer uitontwikkeld was gooiden de Tweede Wereldoorlog, de dood van Stalin in 1953 roet in het eten, en daarna de opkomst van de rock and roll in Amerika, die jongeren leerde dat je met eenvoudige middelen goede en expressieve muziek kunt maken. Tijdens het bewind van Richard Nixon begon de CIA strategieen te ontwikkelen om alle kwaliteit uit de mainstream popmuziek weg te halen en deze ”braaf” te maken. Rondom 1980, ook de periode waarin symbolisch genoeg John Lennon en Bob Marley overleden, was dit doel bereikt. Wat er nog over was aan bezielde popmuziek (punk, grunge, heavy metal etc.) was naar de marge gedirigeerd. Tegelijkertijd, in het machtsvacuum dat na 1980 in de Sovjet-Unie ontstond (Brezhnev was seniel geworden en Gorbatsjov kwam pas in 1985 aan de macht) lukte het KGB-officieren het concept te slijten aan de grote westerse muziekmaatschappijen (Sony e.d.). Middels een uitgekiende strategie werd met behulp van een netwerk van agenten, DJ’s genaamd,’deze muziek stapje voor stapje bekend gemaakt en de schijn gewekt dat het hier om een soort underground ging. Het verhaal gaat dat Michail Gorbatsjov de presidenten Reagan en Bush voor dit gevaar heeft gewaarschuwd. Zij hebben hem wellicht niet geloofd, maar waarschijnlijker is dat zij op advies van de muziekindustrie zijn meegegaan in de gedachte dat een debiliserende muziekstijl, geconsumeerd met een door de DEA gecontroleerde en verspreide hoeveelheid farmaceutica, gunstig zou zijn voor waar zij voor stonden. En terecht, want dit leidde tot de verkiezing van George Bush Jr.. Dus wie meent dat Stalin dood is vergist zich; hij is om de hoek verkrijgbaar in de platenzaak.

FREUD EN MOZES

(Juni 2015) Sigmund Freud blijkt een belangwekkend boekje te hebben geschreven over de figuur Mozes, die, al of niet historisch, als een kapitale figuur in de cultuurontwikkeling van de mens beschouwd mag worden. Het heet ”Der Mann Moses”, en is in de jaren dertig in verschillende fasen door de schrijver samengesteld. Hij kon er, zoals hij zelf zegt, moeilijk tijd voor vrijmaken, maar toch schijnt de thematiek hem zodanig te hebben bezig gehouden dat hij er steeds weer op terug kwam. Aanvankelijk in Wenen, waar hij, niet alleen als Jood maar ook als psychotherapeut in toenemende mate hinder ondervond van de steeds toenemende Nazi-invloed, maar ook nadat hij zich daardoor gedwongen in Londen had gevestigd.

Als iemand met de reputatie van Freud zich bezig gaat houden met een historische figuur dan verwacht je dat het zal uitdraaien op de gebruikelijke recepten van het Onderbewuste, onderdrukte driften, de gecompliceerde verhouding tussen kind en ouders enzovoorts, en dat is ook het geval. Dat neemt niet weg dat hij ook buiten dat een aantal zeer interessante observaties te berde brengt over de man die als de stichter van de Joodse godsdienst wordt beschouwd. Mozes, zo stelt hij, en hij baseert zich daarbij op historisch onderzoek uit het begin van de vorige eeuw, was geen Jood, zoals men misschien verwacht, maar een Egyptenaar. De naam Mozes is ook Egyptisch, en betekent ”kind”. Dit element vinden we ook terug in de welbekende naam Ramses, eigenlijk Ra Moses, ”kind van de god Ra” dus.

Mozes leefde in een zeer opmerkelijke tijd, in de veertiende eeuw voor Christus, waarin een zekere farao Amenhotep op het idee kwam om de hele santekraam van het Egyptische veelgodendom de deur uit te doen en de godsdienstige gevoelens te richten op een unieke god, n.l. de zonnegod Aton. Deze verering zou dan niet geschieden, zoals tot dan toe het geval was, door offers, afgodsbeelden en allerlei toverij, maar door te leven in een begrip dat ”Maat” genoemd wordt, d.w.z. in ”waarheid en gerechtigheid”. Hiermee zou deze Amenhotep, die later Akhnaton werd genoemd, niet alleen, voor zover bekend, het monotheisme geintroduceerd hebben, maar ontdeed hij het godsdienstig besef ook van zijn uiterlijke vormen en dictaten en benadrukte hij het belang van het bewustzijn dat men goed dient te doen vanuit een innerlijk besef.

De Egyptisch priesterkaste, die leefde van de uiterlijke schijn, was niet gediend van de ze nieuwlichterij en het heeft dan ook niet lang geduurd voordat Amenhotep/Akhnaton een kopje kleiner was gemaakt en de oude orde van het veelgodendom hersteld werd, een orde die zich gedurende de rest van het Egyptische rijk heeft gehandhaafd.

Moses was, volgens deze theorie, waarschijnlijk een Egyptenaar uit een voornaam geslacht, die zich tot de nieuwe leer aangetrokken voelde en na de afschaffing daarvan met lege handen stond. Hij nam echter een zeer bijzondere stap: hij ging op zoek naar een volk dat deze leer tot zich zou willen nemen en vond deze in een semitische stam die zich al generaties lang in het Egyptische rijk bevond, de Habiru. Deze Habiru (Hebreërs dus) waren ontevreden met hun lot en voor hoe dat gedeelte van de geschiedenis verliep kan naar de Bijbel verwezen worden. Kort gezegd, ze wisten zich te bevrijden uit de Egyptische gevangenschap en er volgde een veertigjarige dooltocht door de woestijn. Wat de Bijbel niet vertelt is een fundamenteel onderdeel van deze theorie: deze Habiru waren een ongedurig volkje, dat al vrij snel genoeg kreeg van de moralistische stijl van hun nieuwe leider, de Egyptenaar Mozes. Hoe zij afweken van de morele maatstaf van ”Maat” wordt gesymboliseerd in de in de Bijbel beschreven aanbidding van het Gouden Kalf, m.a.w. de aanbidding van materiele waarden en afgodsbeelden. De Habiru waren weer terug bij af; net als de Egyptenaren vielen zij terug in lager stadium van godsaanbidding. Mozes, hij die dus ”het kind” heette, werd het kind van de rekening: de lastige, autoritaire, onbuigzame leider werd om het leven gebracht. De ”Vader des Vaderlands” werd door zijn eigen volk vermoord.

Wie ook maar iets van Freud weet, zelfs op het allerclichematigste niveau, voelt nu waarschijnlijk wel aan welke kant dit uit gaat, n.l. naar het klassieke Freudiaanse schema van de vadermoord, tot uitdrukking gebracht in het Oedipus-complex. Freud maakt een vergelijking tussen de bewustzijnsontwikkeling van het menselijk individu en een volk. Waar het individu trauma’s en magische voorstellingen uit zijn vroegste jeugd moet omvormen tot een ”normale” omgang met reële omstandigheden uit het dagelijks leven, moet een volk wandaden uit een duister verleden na een periode van verdringing omvormen tot een vruchtbaar moreel besef.

Het Joodse volk zou dus zijn vaderfiguur Mozes vermoord hebben en zich daarmee een trauma op de hals gehaald hebben, want deze wandaad werd niet vergeten, zoals iemand die zijn geweten laat spreken zich schuldig blijft voelen, hoe hij zich ook te weer stelt of onverschillig tracht te zijn. Integendeel, Mozes’, of eigenlijk Amenhoteps leer van ”Maat”, het leven in waarheid en gerechtigheid, bleef latent aanwezig in het bewustzijn zijn van dit volk, dat het middels een haast onzichtbare lijn levend hield, een lijn die door de eeuwen heen sterker werd en uitmondde in de morele codes van het Oude Testament en de interpretaties daarvan. Om daar te komen dwaalde het Joodse volk de bekende veertig jaren (toendertijd min of meer een generatie!) door de wildernis, kwam in aanraking met andere volkeren en nam als oppergod een lokale vulkaangod, genaamd Jahwe, aan. Daarop volgde de langdurige veroveringstocht van het land Kanaan, waarna een periode van vestiging en stabiliteit volgde. Dit wordt verzinnebeeld in de Stenen Tafelen en de daarop gedicteerde voorschriften, die de aanvang zijn van een ontwikkeling waarin het oude trauma van de vadermoord stapje voor stapje verwerkt en getransformeerd kon worden. Als dramatisch effect wordt daaraan toegevoegd dat de ziener Moses, die dus allang dood was, het land Kanaan nooit betreden heeft, maar alleen heeft gezien vanaf de berg Sion.

Al met al is het een wat moeizame theorie, die ook niet zonder gevaar is. Hij zadelt immers het Joodse volk, dat al is beschuldigd van de moord op Jezus Christus, ook nog eens keer op met de liquidatie van de ook door christenen zeer gerespecteerde aartsvader Mozes. Een gevaarlijke cocktail in handen van anti-semieten, die in Freuds dagen prominent acteerden en die hij zelf had moeten ontvluchten. Maar Freud, die als geen ander wist dat wie zichzelf bedriegt uiteindelijk ook zijn omgeving schade berokkent, voelde zich kennelijk gedwongen de theorie serieus te nemen en te becommentarieren. Ik weet niet of de stellingen dat Mozes een Egyptenaar was en door zijn geadopteerde volk vermoord zou zijn met de hedendaagse stand van onderzoek nog houdbaar zijn. De theoloog Marton Buber vond dit allemaal al onzin en verbaasde zich erover dat iemand als Freud die zo goed was in zijn overige werk zich in de luren liet leggen door dergelijke obscure gissingen. Maar het idee dat het monotheisme zijn wieg (je zou haast zeggen, zijn biezen mandje) in Egypte gevonden heeft, blijft interessant.

KWAM WOUTERTJE PIETERSE OOIT IN HAARLEM AAN?

(10 juli 2015) Willem Frederik Hermans schijnt gezegd te hebben dat als men Multatuli misschien een ding kwalijk mag nemen het is dat hij ”Woutertje Pieterse” niet heeft afgemaakt. Ik heb laatst, tijdens een weekje griep, de zesde en de zevende bundels van de ”Ideeën” nog eens gelezen, waarin de geschiedenis van Wouter is opgenomen, en men zou kunnen aannemen dat Hermans gelijk heeft. Het verhaal eindigt op het moment dat Wouter in gezelschap van zijn vriend pater Jansen de trekschuit naar Haarlem betreedt, om daar een parasolletje te vergoeden dat hij kort daarvoor heeft kapotgemaakt. Multatuli rekt de tocht van de schuit eindeloos, zoals wel vaker voorkomt bij Wouters lotgevallen. Deze zijn immers niet geschreven als roman, maar verstrooid door de bundels ”Ideeën”, waar zij vaak aanleiding zijn tot soms zeer lange beschouwingen. Zo ook hier. Verhandelingen over het navolgen van voorbeelden in de literatuur, over hoe men in het buitenland tegen de Nederlandse letterkunde aankijkt, en, niet te vergeten, over prostitutie, rekken de vertelling naar een tempo dat misschien wel model staat bij dat van het transportmiddel waarvan sprake is.

”Of Wouter Haarlem bereikt?”, zo vraagt de auteur zich af in de kop van Idee 1270. Multatuli lijkt er aan te twijfelen, wat vreemd mag lijken aangezien hij toch degene is die de gang van zaken bepaalt. Maar men kan zich ook afvragen of deze vraag niet een signaal is voor een bewuste keuze om het verder met Woutertje Pieterse maar voor gezien te houden. Om deze stelling te verklaren moeten we terug gaan naar de gebeurtenissen die leidden tot deze trekvaarttocht.

Het was nog maar een dag geleden dat Woutertje, jongste bediende bij de firma Ouwetyd & Kopperlith, de eer wordt gedaan een bezoek te brengen aan het ”Buiten” van zijn werkgever, de heer Kopperlith. Tijdens de hele reis naar het buitenverblijf en tijdens het bezoek aldaar wordt hij door de familie behandeld overeenkomstig zijn dienstige status, dat wil zeggen als iemand die op geen enkele wijze meetelt. Maar wel geeft hij, leergierig zoals we hem hebben leren kennen, zijn ogen en oren de kost. Tijdens het gebruiken van de thee ontspint zich een merkwaardige conversatie. Het gesprek gaat over handel, en er worden weetjes uitgewisseld zoals kennelijk gebruikelijk is tussen mensen die ”in kurken” zitten, of ”in lijnwaden”, kortom ”in de handel”. Zo wordt er ook gesproken over iets dat ”wissels” wordt genoemd.

”Parys staat hoog”, zegt iemand in verband daarmee, waarop de dochter des huizes, Julie, eruit flapt.

”Papa, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?”

Om kort te gaan, in het vervolg van het gesprek wordt het Wouter duidelijk dat het gezelschap waarmee hij dagelijks omgaat, en waar hij tot voor kort nog hoog tegenop keek, op geen enkele wijze in staat is een verschijnsel waar het beroepshalve mee te maken heeft te verklaren, een verschijnsel waarvan hij zich ook al afvroeg wat het inhield. Ter plekke komt de vraag bij hem of het respect waarmee hij deze mensen beschouwt wel verdiend is. En wanneer hem opgedragen wordt om op een kind met een hobbelpaard te letten neemt hij zich voor dit niet op zich te laten zitten. ”En hij gordde zich aan tot begrijpen”, zo schrijft Multatuli.

Tijdens het spelen met het kind doorgrondt hij met zijn ontluikende, kiene verstand, door te schuiven met speelsoldaatjes de principes van internationale handel, en wanneer hij weer wordt toegelaten tot de grote mensen brandt hij van verlangen zijn ontdekking aan het gezelschap te openbaren. Maar niet alleen durft hij als te voren nauwelijks zijn mond te openen, de volwassenen zijn in de weer met mededelingen als: ”Weet je wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den gouverneur.” In deze omgeving zal geen plaats blijken te zijn voor Wouters hoge intellectuele vlucht, integendeel, zijn val is hard en meedogenloos. Kort daarop duwt men hem een parasolletje in handen dat hij niet weet te openen en in zijn zenuwachtige onhandigheid aan flarden breekt…

” ‘t Heeft zeven gulden dertien gekost”, jammert de eigenaresse van het geval, een zekere Hersilia. In paniek ontvlucht Wouter het buiten van de Kopperliths, bereid om subiet een einde aan zijn leven te maken. Maar op mysterieuze wijze weet hij binnen een dag het bedrag bij elkaar te krijgen, en zo vinden wij hem, op de trekschuit, in gezelschap van zijn vriend pater Jansen, op weg naar Haarlem, met het voornemen zijn schuld in te lossen.

”Of Wouter Haarlem bereikt?”, zo vraagt Multatuli zich meerdere malen luidop af bij de verhandelingen die op deze rampzalige gebeurtenissen volgen. Ik zou daarop willen antwoorden: ”het maakt niet uit”. Immers, vele andere avonturen lokken Wouter op zijn levensweg, zelfs al is het maar op de trekschuit naar Haarlem. Die zeven gulden dertien hadden bij nader inzien ook afgeleverd kunnen worden op het kantoor van Ouwetyd & Kopperlith aan de Keizersgracht, maar het belangrijkste is dat Wouter zichzelf gevonden heeft, dat hij begrepen heeft wat zijn werkelijke plaats in de wereld is, en niet meer hoeft te buigen voor lieden die ver beneden hem staan, zelfs al is hij maar jongste bediende en is hij ze zeven gulden dertien schuldig.

Daarmee kan ook de vraag gesteld worden of Hermans’ constatering dat ”Woutertje Pieterse” niet af is, wel juist is. ”Woutertje Pieterse” is het verhaal van een jongetje dat zich losmaakt van de spoken van zijn verleden die hij zelf heeft toegelaten, en overwonnen, en van zijn beginnende strijd met een omgeving wier onbegrip hij zal moeten leren overwinnen. Ik denk dat hem dat in zijn verdere, fictieve leven gelukt zou zijn, ”hoe” dat hoeven we verder niet te weten. ”Woutertje Pieterse” is geen roman, geen boek met een kop en een staart, een verhaal dat formeel ”af” is, maar rafelig als het leven zelf. Het is een onderdeel van een stelsel van ideeën, de ”Ideeën” van Multatuli, de schrijver die boven Idee 1278 zet (en er zijn er dan nog maar vier te gaan) ”Dit hoofdstuk bevat niets dan de beknopte mededeling van ‘t overlijden des auteurs.” Na deze bundel, die werd uitgegeven in 1877, publiceerde Multatuli niet veel meer, dus men kan zich afvragen of hier sprake is van het ”figuurlijke” overlijden van een schrijver die bijna alles wel gezegd heeft. Ook over Woutertje. De vraag moet dan ook niet luiden of Wouter Haarlem heeft bereikt, maar de vaststelling moet zijn dat de wereld aan zijn voeten ligt. En daarmee is ”Woutertje Pieterse”, als boek, roman, of wat het ook moge zijn, misschien ook wel af.

”LES VIEUX” – JACQUES BREL

Brels lied ”Les Vieux” gaat over oude mensen die zich aan het eind van hun leven geen raad weten omdat ze nooit hebben leren leven. Het enige wat hun rest is het tikken van de zilveren klok, ”la pendule d’argent, qui ronronne au salon, qui dit oui qui dit non, qui les attend.”

De verschrikkelijkste zin uit het lied is: ”Vous le verrez peut-etre (–) traverser  le present en s’excusant deja de n’etre pas plus loin et fuir devant vous…” Krom geparafraseerd: ”u ziet ze misschien daar wel eens in uw zicht lopen als ze wegduiken om u niet lastig te vallen…” Lastige lui, die oudjes.

Brels tekst lijkt cynisch maar is het niet. Hij is liefdevol ten opzichte van mensen, de slachtoffers die niet beter weten; het zijn de omstandigheden die een cynische houding verdienen. Maar ja, ”les circonstances, c’est nous.” Toch?

Ouderen van nu zijn hopelijk wijzer. Maar wat die omstandigheden betreft blijft het oppassen geblazen. Ook nu.

DE EEUWIGE FILIBUSTER

(20 MEI 2015) In de Verenigde Staten is een bekend televisiepresentator overleden. Het Nederlandse televisieprogramma Nieuwsuur vond het nodig om ongeveer tien minuten zendtijd te besteden aan dit  voorval. Gelukkig was het niet zo erg als een paar jaar geleden toen er in Amerika iemand overleed die iets met computermasjientjes gedaan had. Men sprak toen, ook op de Nederlandse TeeVee, als over een groot visionair. Alsof Mahatma Gandhi was heengegaan.

Op Teletekst las ik na dit bericht dat een Amerikaanse senator een filibuster is begonnen tegen de praktijken van de NSA. Ik schakelde door naar CNN, en daar had men het over de presentator. Ik had gehoopt op live-beelden van de filibuster. Want filibuster, da’s pas leven, ook na de dood.

(Gebleken is dat de presentator niet dood is, maar ophoudt te presenteren. De vraag is wat erger is…)

”RANKING” STAATSSECRETARIS DEKKER

(14 oktober 2014) Staatssecretaris Dekker, de bewindspersoon die over de publieke omroep gaat, heeft verstandige dingen gezegd. Ten eerst wil hij dat de publieke omroep geen amusement meer uitzendt. Wat dat precies inhoudt is niet helemaal duidelijk, maar het lijkt mij voor de hand te liggen dat sport daarbij hoort. Dat zou dus inhouden dat peperdure voetbalevenementen als de Eredivisie en Champions League voortaan door de commerciele omroepen worden uitgezonden, die dat uitstekend kunnen verzorgen. Voor de goede orde, ik ben allesbehalve een voetbalhater, integendeel, ik ben al vijftig jaar overtuigd Ajax-fan (ik herinner mij Henk Groots legendarisch kopgoal tegen Real-Madrid nog als de dag van gisteren) en een blind volgeling van Johan Cruijff. Maar ik zie niet in waarom deze uiterst commerciele toernooien op de publieke omroep thuis moeten horen. Er kan veel geld bespaard worden door ze af te stoten, wat weer besteed kan worden aan programma’s waarvan de staatssecretaris terecht zegt dat de publieke omroep daarvoor bedoeld is: informatie, cultuur etc. Ook zou een programma als Banana Split, gepresenteerd door de eminente tenor Frans Bauer, richting John de Mol verdwijnen. Het is hem gegund. En hetzelfde zou gelden voor het programma ”Ranking the Stars”, waarin mensen die zichzelf ”Bekende Nederlanders” noemen kennelijk als sterren worden gepresenteerd. Van de aftandse presentator van dit hoogst lollige programma zijn we dan ook eindelijk af. Tot slot wil de staatssecretaris de publieke omroep open stellen voor onafhankelijke programmamakers, die niet gebonden zijn aan een omroep. Deze terechte maatregel gaat een revolutie in het verkalkte Nederlandse televisiewereldje teweeg brengen, waaraan ik graag zal bijdragen. Een groot compliment voor de staatssecretaris.

UN POSTINO CHE PARLA ITALIANO

(19 september 2014) Onlangs overkwam me het volgende bij mijn werk als postbezorger voor PostNL. Ik was bezig bij het depot op de …gracht waar wij de post ophalen, en zag op korte afstand van me een man staan met een fotocamera om zijn hals en een kaart in zijn handen. Aangezien de man een al vraagteken uitstraalde begreep ik al wat er komen ging. Toeristen denken namelijk dat wij postbezorgers moeiteloos kunnen uitleggen hoe je bij iedere willekeurige uithoek in de stad terechtkomt en dat wij ook ruim de tijd hebben en willen nemen om dat te doen. De man kwam dan ook op mij af, toonde zijn kaart en er ontspon zich het volgende gesprek:

”Scusi, dove sono? (”Pardon, waar ben ik?”)

”Dove siamo? (”Waar we zijn?”), antwoordde ik in kennelijk verstaanbaar Italiaans, want de man vervolgde:

”Si, dove sono adesso? (”Ja waar ben ik nu?”)

Ik bekeek de kaart en wees het punt aan waar wij ons op dat moment bevonden.

”Siamo qua”, (”We zijn hier”), zei ik.

”’Ma il Vondelpark e di la, no?” (”Maar het Vondelpark ligt toch daar, niet?”) zei de man, in de richting van het Westelijk Havengebied wijzend.

”No no, il Vondelpark e qui. Vuole al Vondelpark?” (”Nee nee, het Vondelpark is hier. Wilt u naar het Vondelpark?”) antwoordde ik, het Vondelpark op de kaart aanwijzend.

”No no. Allora dove sono?” (”Nee, nee. Dus waar zijn we nu?”) Ik wees nogmaals op de kaart aan waar we waren, hij bedankte me en begon op enige afstand overleg te voeren met zijn vrouw.

U begrijpt dat het primaire doel van dit verhaaltje is op te scheppen over het feit dat ik redelijk Italiaans ken, dat ik de grammatica van de taal heb bestudeerd, een krante-artikel kan lezen, een literaire tekst met een woordenboek kan doorgronden en me wat conversatie betreft op een basisniveau redelijk kan handhaven. Maar ook hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat deze Italiaanse meneer zonder ook maar de geringste moeite te nemen bij mij te informeren of ik Italiaans verstond tegen mij in zijn moerstaal begon te spreken. Niet alleen dat, hij vertoonde niet de geringste verbazing dat de eerste de beste ”postino” die hij aansprak hem kennelijk op een bevredigende wijze in zijn eigen taal verder hielp.

Ik heb dit vaker gehad met Italianen, met dat verschil dat ze na een hulpeloze poging iets van Engels uit te brengen terugvallen in hun eigen taal. Verder volgde het dan het hierboven beschreven stramien. Met Spanjaarden is het anders. Ik ken Spaans op ongeveer hetzelfde niveau als Italiaans, en ik heb er aardigheid om die mensen in hun eigen taal toe te spreken. Je ziet ze dan helemaal oplichten en als ik ze dan op weg heb geholpen dan ik hoor zo’n Spaans dametje nog tegen haar vriendin iets in de trant zeggen van: ”Goh, spreekt die vent Spaans zeg,” en hoewel ik eerlijk beken dat dat wel meevalt maak ik toch een inwendig sprongetje van vreugde.

Dan vraag ik me af wat die Spaanse en Italiaanse gasten vertellen als ze weer thuis zijn. Ik stel me zo voor dat de Spanjaarden aan hun keukentafel in Valencia of Sevilla tegen hun huisgenoten zeggen: ”Amsterdam is geweldig. Alle postbodes spreken er Spaans”. Maar ik ben bang dat de Italianen iets zeggen als: ”Zelfs de postbodes in Amsterdam spreken Italiaans. Mussolini had gelijk. En Berlusconi ook. Italie is een werkelijk grote natie.”

DE KWESTIE PIET

(13 september 2014) Sinterklaas naakt, dus de kwestie Piet zal binnenkort wel weer opspelen. Zelfs schijnen hier rechtszaken over gevoerd te worden. De Amsterdamse burgemeester heeft gezegd dat hij vindt dat deze zaak niet ”in rechte” moet worden gevoerd, maar in de maatschappij. Hij heeft gelijk. Hier mijn bijdrage.

Mijn oudste en meest levendige herinnering aan Zwarte Piet is toen ik als kleuter een keer ziek was rondom de vijfde december, en dus de aanwezigheid op school van Sint Nicolaas en zijn medewerkers niet kon meemaken. Ik neem aan dat ik duidelijk heb gemaakt dat ik dit heel erg vond want tot mijn stomme verbazing stapte de Sint in vol ornaat onze huiskamer binnen waar ik ziek zat te wezen. Welke cadeau’tjes mij toen zijn overhandigd weet ik niet meer, maar wel staat me levendig bij dat een van de twee aanwezige Zwarte Pieten sprekend leek op mijn oudste broer, zij het dan in een chocoladekleurige uitgave. Ik weet zeker dat ik tijdens de hele Nicolaas-sessie met grote ogen naar deze verschijning heb zitten kijken, en ook dat ik ‘s avonds tijdens het avondeten mijn broer er luidkeels van op de hoogte heb gebracht dat de ‘s middags aanwezige Sintdienaar zo sprekend op hem leek. Dat ik mij dit merkwaardige toeval tot op de dag van vandaag nog herinner mag boekdelen spreken.

Er is geen samenhang tussen deze ervaring en mijn zich ontwikkelende inzicht dat de Zwarte Piet-figuur een overbodige en eigenlijk tamelijk vervelend fenomeen was bij de jaarlijks terugkerende cadeau-uitdelerij. Het was mij snel duidelijk dat Sint Nicolaas de figuur was bij wie je moest zijn om iets te krijgen, en dat deze duistere figuren daarbij niet alleen een storende rol speelden, maar zich ook nog te buiten gingen aan allerlei kinderachtigheden zoals het rondstrooien van oneetbare pepernoten, wat kinderen rondom mij erg leuk vonden. Maar omdat dat dezelfde kinderen waren die op schoolreis naar de dierentuin naar de apies gingen kijken, terwijl ik naar de tijgers en de leeuwen wilde, begreep ik al vroeg dat ik op het niveau van de Goedheiligman behoorde te verkeren. Met andere woorden, van mij mocht die Piet toen al afgeschaft worden. Maar goed, ik heb het niet voor het zeggen, en het gaat hier om een traditie die volgens velen in stand gehouden worden en daar heb ik niks op tegen.

Dat betekent niet dat men tradities niet ter discussie kan stellen. De bezwaren die uitgaan naar de verschijning van Zwarte Piet-figuur luiden dat het gaat om een ongunstige stereotypering. Daar zit wel wat in, maar van Sint Nicolaas kan men het zelfde zeggen. Mij komt de Sint-Nicolaasfiguur voor als een parodie op de Rooms Katholieke bisschoppen en ik heb nog nooit gehoord dat daar vanuit het Vaticaan of vanuit Utrecht bezwaar tegen is gemaakt. Ik sluit niet dat de introductie van de huidige Klaastraditie – ergens in de negentiende eeuw, geloof ik, een periode waarin katholieken in ons land weinig te zeggen hadden – samenhangt met de protestantse weerzin tegen katholieke protserij, die goed samenging met het pedagogische ideaal van die dagen, de keuze tussen slaan of snoepen.

Er mag best geluisterd worden naar sommige bezwaren tegen het stereotype van een zwarte, domme slaafse man zoals Zwarte Piet kennelijk nog steeds wordt uitgebeeld. En ook zal het voor gekleurde kinderen niet prettig zijn om op school te worden uitgemaakt voor Zwarte Piet, wat naar verluidt wel eens gebeurd. Mijn advies aan hun is daar boven te staan, zoals ik probeerde te doen als sommige minder begaafde kinderen grapjes maakten over mijn achternaam. Men kan een probleem oplossen door het te transformeren, en door middel van creativiteit te sublimeren. Daarom, zou ik. als er inderdaad een probleem is met de stereotypering van Zwarte Piet, als oplossing voor willen stellen de rollen van meester en dienaar om te draaien; dat houdt in dat niet Piet de domoor is, maar de Sint dat juist is; dat Piet vervolgens de domheden die zijn ”meester” begaat niet alleen op een voor hem begrijpelijke wijze corrigeert, maar hem ook nog het gevoel geeft dat hij daar zelf is opgekomen, en sterker nog, uiteindelijk ook nog de schuld op zich neemt. Dit alles met een knipoog naar de goede verstaandertjes onder hun publiek, die deze klassieke omdraaiing (die we bij voorbeeld al zien in de verhouding tussen Don Quichote en zijn knecht Sancho Panza) met klaterend gelach zullen begroeten. De les die hier uit te leren valt, ook nuttig voor het latere beroepsleven, is dat niet stand, rang of positie de meester en de knecht maken, maar persoonlijkheid.

HOE FASCISTISCH IS DE HUIDIGE OEKRAIENSE REGERING?

(10 september 2014, herziene versie van 19 augustus) De regering in Kiev wordt door menigeen omschreven als ”fascistisch”, niet alleen door Russische media en politici, ook door flink wat commentatoren op het internet. De Russische minister van buitenlandse zaken had het zelfs over anti-semieten, hoewel er toch een Jood in dit kabinet zit, n.l. Volodymyr Groysman, een van de vice-premiers en verantwoordelijk voor de regio-politiek. Aanleiding voor mij om nader onderzoek te doen naar de werkelijke aard van de individuele Oekraiense regeerders. Daarvoor heb ik onder andere gebruik maakt van een artikel uit de Kyiv Post en van Wikipedia (zie links hieronder).

Mijn voorlopige indruk is dat het met dat ”fascistische” wel meevalt. Het eerste wat opvalt dat ongeveer de helft van de Oekraiense ministers voor zover bekend partijloos is. Daarmee zou je deze regering een semi-zakenkabinet kunnen noemen, wat mij in de gegeven omstandigheden niet onverstandig lijkt. Verder zijn er zes ministers die lid zijn van de partij die in het Oekraiens ”Batkivshchyna” wordt genoemd, wat ”Vaderland” betekent. Een dergelijke naam voor een politieke partij komt ons in Nederland wellicht wat overdreven voor, maar waarschijnlijk moet men daar niet zoveel gewicht aan geven. Over deze partij kan ik inhoudelijk niet zoveel zeggen. Het is ook de partij van de voormalige premier Julia Timoshenko, van wie gezegd wordt dat zij zich verrijkt heeft met Russische olie-deals. Zij speelt op dit moment geen uitgesproken politieke rol. Ik laat het er hierbij met te zeggen dat de huidige premier Jatsenjoek op grond van zijn publieke optreden op mij niet de indruk maakt een fascist te zijn. Verder lijken mij de overige vijf ministers van deze partij, voor zover ik uit de beknopte beschrijvingen kan opmaken, geen onredelijke mensen. Over hun competentie kan ik niks zeggen, maar daar hebben we het hier niet over.

Dan zijn er nog drie ministers van de partij die aangeduid wordt als ”Svoboda”, wat ”Vrijheid” betekent. Deze partij zou men als rechts-nationalistisch kunnen aanduiden. Een van de ministers van deze partij heeft gezegd dat de binnenlandse vijand in zijn land bestaat uit ”een oligarchische klasse van voormalige communistische apparatsjiks, Komsomol-leiders, KGB-agenten en doodgewone criminelen van niet-Oekraiense afkomst.” Een analyse van het niveau als zou Nederland ”geislamiseerd” worden, waarmee je trouwens in ons land flink dicht tegen regeringsverantwoordelijkheid blijkt te kunnen aanschurken. Ik zou het echter niet in mijn hoofd halen om Geert Wilders een fascist te noemen, en zo schat ik de Svoboda-partij ook niet in.

Zijn er fascisten in de Oekraiene? Zal best. In Duitsland heb je ze ook nog steeds, en wie weet in Nederland ook wel. Er is een beweging die wordt aangeduid als ”Pravy Sektor”, wat zoveel als ”Rechtse Sektor” betekent. Het is een verzameling van onaangename vlaggenzwaaiers, en hun held is Stepan Bandera, een zeer omstreden Oekraiense nationalist, die in en om de Tweede Wereldoorlog op meedogenloze wijze naar een onafhankelijke Oekraiene streefde. Ik kan niet goed inschatten hoe deze figuur wordt beoordeeld door de huidige generatie Oekraieners die streeft naar zoveel mogelijk aansluiting bij de Europese Unie. Ik kan me voorstellen dat hij populairder is dan hij op humanitaire gronden verdient, en dat lijkt me een historische fout. Daarmee is waarschijnlijk ook het verwijt van sommige commentatoren terecht dat Oekraiene nog het nodige te doen heeft op het gebied van het onder ogen zien van zijn oorlogsverleden. Dat dit verwijt ook in Moskou weerklinkt mag echter verbazing wekken, want men heeft er wat dat betreft nog het nodige te doen. Overigens haalde de Pravy Sektor bij de laatste verkiezingen nog niet eens een procent van de stemmen.

Mijn conclusie: ik denk dat het met het fascistisch gehalte van de huidige Oekraiense regering wel meevalt.

http://en.wikipedia.org/wiki/Cabinet_of_Ukraine

http://www.kyivpost.com/opinion/op-ed/katya-gorchinskaya-the-not-so-revolutionary-new-ukraine-government-337768.html

BIJENKORF

(2 september 2014) Onlangs ontving ik van mijn werkgever een cadeaukaart van de Bijenkorf ter waarde van 10 euro. Voor een dergelijk bedrag kan men altijd wel iets nuttigs aanschaffen, zoals kantoorartikelen, en zo stapte ik voor het eerst in tientallen jaren het beroemde gebouw aan de Dam binnen.

Ik zal een jaar of tien geweest zijn toen ik er voor het laatst was. Met mijn moeder mocht ik tegen Sinterklaas mee naar het verre Amsterdam, waar zij cadeautjes voor ons hele gezin ging inkopen, en ik rondliep en me vergaapte aan de rijkdommen die me omgaven, en, omdat mijn moeder zeer vrijgevig was, weken zakgeld vooruitspendeerde aan Pietje Bellboeken. Ik weet het nog als de dag van gisteren; daar en toen heb ik geleerd wat kooplust is.

Ik heb nog een vaag beeld van de entree van die Bijenkorf van toen. Helle verlichting, ouderwetse uitstalkasten en een morsige roltrap tegenover de ingang, de sfeer zoals bij de Hema van nu. Wie er vandaag binnengaat stapt een andere wereld binnen. Gelijkvloers is een soort straatje aangelegd waar aan weerszijden luxe-artikelen zijn uitgestald, verdeeld over wat ik maar oneerbiedig kraampjes noem, waarvoor in zwarte rokjes gehulde jongedames glimlachend bereid staan te zijn potentiele kopers te woord te staan. Boven de kraampjes waren met oplichtende letters namen van bekende merken aangebracht. Ik herinner me er een: ”Louis Vutton”. Ik weet niet wat de heer Vutton of zijn gelijken verkopen, maar meestal gaat het in dit soort handel om horloges, juwelen en kleding, waren die een bepaald publiek om een of andere reden aanspreken omdat er een bepaalde naam aan is gehecht. Ik heb er verder niet naar gekeken, ik wilde pennen kopen. Goedkope pennen.

Ik stelde vast dat de kantoorartikelen op de vierde etage verkrijgbaar waren, maar terwijl ik met de roltrap omhoog steeg en op de voorbijglijdende etages aanschouwde wat daar werd aangeboden en tegen welke prijzen, begon ik me af te vragen of ik in dit warenhuis eigenlijk wel een pen voor een tientje zou kunnen kopen. Ik kon immers niet uitsluiten dat op de vierde etage Louis Vutton mij zou opwachten om mij een met diamanten bezette pen van zuiver goud aan te bieden. Maar dat viel mee.

Na enig zoeken vond ik inderdaad een kleine afdeling waar schrijfblokken en dergelijke te verkrijgen waren, en toen ik bij een toonbank de in vakjes opgestelde, maar niet geprijsde pennen bestudeerde, kwam er een vriendelijke jongeman op me af die me mededeelde dat hij hier helaas niet kon afrekenen, omdat de kassa niet functioneerde. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om te informeren naar de prijzen van de pennen, en kreeg te horen dat de Bic-pennen maar 75 cent kostten.

Met een handvol dergelijke pennen ging ik vervolgens naar een waarschijnlijk wel functionerende kassa, waar ook niemand aanwezig was. Na enig rondzoeken trof ik twee dames die in dienst van het bedrijf bleken te zijn, en terwijl ik met een van hen naar de kassa liep vertrouwde zij mij toe dat ze nog niet eens de gelegenheid had gehad om te lunchen (het was vier uur in de middag) en dat ik dus wel begrijpen zou dat men hier personeelstekort had. Ik heb haar maar niet voorgesteld of Louis Vutton misschien een van zijn juffrouwen ter beschikking zou kunnen stellen. Ik rekende tevreden mijn pennen a 75 cent af, en kan maar tot een conclusie komen: die Bijenkorf, die is er echt voor iedereen.

PENSIOENSVOORUITZICHT

(2 september 2014) Dezer dagen ontving ik bericht dat een opgebouwd pensioen bij en voormalige werkgever zou worden afgekocht. Men had berekend dat ik slechts ca. 80 euro per jaar zou ontvangen, dus zo’n zes euro per maand en dat is de administratieve moeite waarschijnlijk niet waard, noch voor het pensioenfonds, noch voor mij, en mij werd een in een keer uit te betalen 1450 euro toegezegd.

Ik sloeg onwillekeurig aan het rekenen. Als ik recht heb op 80 euro per jaar en eenmalig 1450 euro ontvang, dan betaalt men mij dus eigenlijk voor iets meer dan achttien jaar uit, immers 1450:80 = 18,12. Dat houdt in dat het fonds ervan uitgaat dat ik na mijn pensionering langer dan 18 jaar zal leven, anders maakt men verlies. Gesteld dat ik op mijn 66e met pensioen ga, dan gaat het fonds er dus van uit dat ik minstens 66 + 19 jaar wordt, d.w.z. 84 jaar oud wordt. Pas dan heeft deze afkoping zin.

Ik kan mij voorstellen dat het fonds wil weten of zijn verwachting uitkomt, en sluit niet uit dat ik omstreeks mijn 75e het volgende telefoongesprek kan verwachten.

”Goedemorgen, u spreekt met het …. Fonds. Wij wilden graag eens weten hoe het met u gaat.”

”Oh, met mij gaat het prima hoor, dank u wel.”

”Ik ben blij dat te horen. Goed gezond? Gezond eten? Veel bewegen? Still going stroing?”

”Zeer zeker, ik voel me kiplekker. Ik beweeg natuurlijk wat langzamer, ben wat vaker verkouden en heb wat langer last van een kater, maar ik mag niet klagen.”

”Prima. Mag ik open kaart met u spelen?”

”Heel graag.” 

”Onze organisatie wenst u natuurlijk het beste, maar ook willen wij graag weten of onze berekeningen kloppen. Immers als u nu, om het wat cru te stellen, al overleden zou zijn, dan zouden wij u, toen wij uw pensioen afkochten, te veel betaald hebben.”

”Ach ja, dat zou jammer zijn.” 

”En dus verlies maken.”

”Ja, ik begrijp het. Wel, dan ben ik blij dat mijn nog in leven zijn niet alleen mij vreugde bereidt, maar ook uw organisatie van nut is”

”Dank voor uw begrip. Mag ik u nog een onbescheiden vraag stellen?”

”Gaat uw gang.”

“Zoudt u, nu u zegt dat het goed met u gaat, nog mogelijk achten dat u, ik doe maar een gooi, negentig jaar wordt.”

”Het is natuurlijk niet in mijn handen, maar wat mij betreft plak ik er gerust nog vijftien jaar tegen aan.” 

”Heel fijn. Dan ben ik zo vrij dat te noteren als een winstverwachting van zes jaar.” 

”Heel graag. Zo hebben we toch iets aan elkaar. Maar ik zou zeggen, belt u tegen die tijd nog eens op.” 

”Ách, dan ben ik al met pensioen hoor. Maar ik wens u, en ons, nog vele jaren een goede gezondheid toe.”

GRAAF LEV TOLSTOY

(28 augustus 2014) Om een of andere reden blijven sommige data je bij. Op 28 augustus 1828, vandaag precies 186 jaar geleden, werd Lev Nikolayevitsj Tolstoy geboren, schrijver van onder andere ”Oorlog en Vrede” en ”Anna Karenina”, en een van de beroemdste Russen van zijn tijd, ook buiten Rusland.

In 1854-1855, tijdens de Krimoorlog, was Tolstoy officier in het leger en vocht mee bij het beleg van Sevastopolj, dat werd belaagd door Engeland, Frankrijk en Turkije. Hij was een dapper strijder, werd onderscheiden, en er lag een mooi legercarriere voor hem in het verschiet, ware het niet dat hij zich te buiten ging aan het schrijven van satirische verzen over zijn meerderen.

Rusland verloor deze oorlog en werd verder verboden een vloot te voeren in de Zwarte Zee. Of dat op een parallel wijst met de krijgshandelingen van heden valt nog te bezien. Maar dat men in Rusland de nodige moeite heeft met satirische verzen over meerderen is niet alleen van vroeger.

DE SCHRIJVER OEHOEBOEROE

(23 augustus 2014) Er is een beroemde scene uit een van de verhalen van Paulus de Boskabouter waarin hij zijn vriend de uil Oehoeboeroe bezoekt, die eigenlijk niet gestoord wil worden omdat hij een boek aan het schrijven is. Paulus is hiervoor vol van bewondering, des te meer wanneer de uil hem vertelt dat hij het boek in het Frans schrijft. Paulus wil graag een blik werpen op het resultaat en dringt zich, in zijn onschuld, min of meer op om een kijkje te nemen in de bladzijden die Oehoeboeroe dan al volgeschreven heeft. Wanneer hij dan, met tegenzin van Oehoeboeroe, uiteindelijk het geschrift mag doorbladeren blijkt dit bladzij voor bladzij onbeschreven te zijn.

Ik geloof dat Oehoeboeroe zich er uit redt door te zeggen dat Frans ook wel erg moeilijk is, en dat Paulus daar wel begrip voor heeft, maar dat weet ik niet zeker. Wel lijkt me het schrijfgedrag van deze uil aanbevelenswaardig voor vele Nederlandse literatoren.

DACOMANIE

(18 augustus 2014) ”Dacomanie” zou men kunnen omschrijven als een schromelijke overschatting van de rol die het volk de Daciers in de geschiedenis gespeeld heeft.

De Daciers bewoonden een gedeelte van het huidige grondgebied van Roemenie, in de tijd dat de Romeinen er rondom het jaar 100 binnenvielen. De algemene historische visie is dat na een niet te winnen strijd een gedeelte van dit volk werd weggevoerd en de rest zich assimileerde met kolonisten die zich vanuit andere delen van het Romeinse Rijk in het gebied vestigden. Daarmee verdwenen de Daciers als volk op zich. Hun taal, het Dacisch, een telg van de Indo-Europese taalfamilie, stierf uit, al bleven er sporen over in Roemeense plaatsnamen, namen van rivieren en misschien ook in een klein gedeelte van de huidige Roemeense woordenschat.

In de negentiende eeuw ontstond er bij veel volkeren in Europa een ”nationaal bewustzijn”. Dit hing samen met het toenemend wetenschappelijk onderzoek naar eigen geschiedenis, documenten, folklore en taal, en de afbrokkeling van de Oost-Europese grootmachten Turkije en Oostenrijk-Hongarije, dat het verlangen naar eigen staten kracht bijzette. En wie lang onderdrukt is kan wel eens, wanneer hij zich uit zijn kluisters bevrijd weet, de neiging ontwikkelen zichzelf, maar ook zijn voorvaderen groter en beter voor te stellen dan ze eigenlijk waren. Zo ontstond in deze tijd de mythe van een Dacisch supervolk. Deze mythe kwam ook te pas in de krankzinnige kraam van de Roemeense dictator Nicolae Ceausescu, die zichzelf de grootste man waande die de Balkan ooit heeft voortgebracht, en daarvoor rechtvaardiging in de geschiedenis meende te kunnen vinden.

Ook nu kent de mythe van het Dacische heldenvolk nog de nodige aanhangers in Roemenie. Wie de moeite neemt om door te klikken naar onderstaande link komt terecht op een uitzending op YouTube daarover, die ongeveer een miljoen maal bekeken is. (Uiteraard in het Roemeens, maar toch aardig om een ogenblik te bekijken.) Een van de stellingen die in dit soort programma’s geponeerd wordt is dat de Roemeense taal niet voortkomt uit het Latijn, maar dat het Latijn voortkomt uit het Dacisch. Volgens sommigen is dat dan weer het bewijs dat Roemenie de bakermat van de Europese beschaving is.

Men kan dit soort theorieen gerust als onzin bestempelen, en wie de moeite neemt om in de serieuze Roemeense pers allerlei publicaties over het verschijnsel ”dacomanie” te lezen stuit op gedegen uiteenzettingen over de historische onjuistheid van dergelijke beweringen en op pogingen de psychologische oorzaak van de populariteit ervan te verklaren. Kortweg houd ik het er maar op dat een zeker aantal mensen nu eenmaal in sprookjes wil geloven, zoals, om even een zijpad in te slaan, de huidige Russische president, die van mening is dat Rusland niet ”compleet” is als Kiev, de ”moeder aller Russische steden” niet ”heim” in het Russische Rijk geraakt.

Dit soort mythes kan de oorzaak van veel ellende zijn, daarom denk ik dat het goed is dat we toch weten dat ze bestaan. Ik voeg er haastig aan toe dat de indruk die ik van Roemenie heb, op grond van wat ik lees en op de Roemeense televisiezenders via internet zie, dat het een land is dat er intensief naar streeft om deel te worden van de Europese gemeenschap, zowel wat betreft waarden als economische integratie. Die traditie kent het al lang, maar de spoken uit het verleden krijg je niet zomaar weg.

ALWEER DIE VIJFDE COLONNE

(17 Augustus 2014) Sinds enkele maanden is er in Rusland een wet in werking die Russen die in het bezit zijn van twee paspoorten verplicht dit aan te melden bij de autoriteiten. Doet men dit niet dan kan men gestraft worden met een boete van 200.000 roebel (ca. 4000 euro) of een taakstraf van 400 uur.

Men maakt er in Rusland geen geheim van dat men wantrouwig staat tegenover Russen die twee paspoorten bezitten, of zij nu in Rusland of in het buitenland wonen. Poetin heeft gezegd dat het noodzakelijk is dat de overheid weet welke buitenlanders er in Rusland wonen en wat ze daar doen. De wet is gericht tegen mogelijke ondermijnende acties van dissidenten, al of niet gesteund door het buitenland, waarmee Rusland steeds moeizamer relaties onderhoudt. De vijfde colonne dus. Russen die in het buitenland wonen worden in deze context gezien als (potentiele) verraders. Stalin liet indertijd Sovjet-burgers die na de oorlog in het westen waren terechtgekomen daarom terughalen.

De wet is een initiatief van parlementslid Andrej Loegovoj, die indertijd geassocieerd werd met de moord in London op dissident Aleksandr Litvinenko, de polonium-moord. Loegovoj heeft iedere betrokkenheid altijd ontkend en geniet als parlementslid immuniteit. Thee drinken met deze volkvertegenwoordiger valt echter af te raden. 

http://www.themoscowtimes.com/article/501163.html

DE GOD VAN POETIN

Dit artikel vertoont verschillen in lichtsterkte. Ik heb geen idee hoe dat komt en kan het ook niet wegkrijgen. Voor de tekst heb ik er geen enkele bedoeling mee. Het zou prettig zijn als computersystemen niet hun eigen leven leiden, maar gewoon doen wat ze gezegd wordt.

(12 Augustus 2014) Rusland heeft een boycot afgekondigd tegen fruit en groente uit de Europese Unie. Wat ik me afvraag is waarom een land met de omvang van Rusland appels en peren zou moeten importeren uit bij voorbeeld Nederland. Er zal toch landbouwareaal genoeg zijn. Deugt er misschien iets niet aan de Russische economie? En zo ja, wie is daar dan verantwoordelijk voor?

Wat wel lijkt te lukken is het groeperen van Russische troepen bij de Oekraiense grens, en de vraag is of er een invasie zal komen. Het zou mij niet verbazen als dat vroeg of laat gebeurt, want het is volgens mij in overeenstemming met een doel dat Poetin zich stelt, namelijk het herstel van het historische Rusland, dat zo’n 1000 jaar geleden zijn aanvang had in het Kievse Rijk. Ik leid dit af uit een tussenzinnetje dat Poetin uitsprak in zijn blijde boodschap op de dag dat de Krim met Rusland herenigd werd. Het luidde zo: ‘’Kiev is de moeder van alle Russische steden, Wij zijn één volk. Het oude Rusland is onze gemeenschappelijke geschiedenis.’’ De achtergrond van dit persoonlijke streven is volgens mij het zelfde wat ooit Hitler dreef, en wel godsdienstwaanzin.

Het wordt misschien niet door iedereen gepast geacht Poetin met Hitler te vergelijken, immers appels met peren en zo, maar ik waag het er op. Natuurlijk zijn er ook verschillen. Hitler kan men vanaf het moment dat hij zich presenteerde aan de wereld kenschetsen als een religieuze hystericus. De proclamatie van een duizendjarig rijk, de onderwerping aan een verheerlijkte heerser, het geloof in een superras en het daaruit voortvloeiende optreden tegen diegenen die daartoe niet behoren, en niet te vergeten de toon waarop dit alles werd verkondigd, het is een wrekende god als Jahweh zelf waardig. Maar een mens is geen god, en zolang Hitler in zijn eigen Duitse tuintje zijn volgelingen dankzij een opbloeiende economie kon doen geloven dat hij wel door de hemel gezonden was, leek er niks aan de hand. Pas toen hij de wereld in zijn rampzalige oorlog meesleurde ging het fout; ook deze god bleek toen een afgod.

Poetins oorsprong is van een andere aard. Een praktische en loyale KGB-functionaris, die, bij mijn weten, noch de verwachting had het hoogste ambt van zijn land te bereiken, noch voor zichzelf de historische rol had geformuleerd die met het innemen van een dergelijke positie gepaard kan gaan. De schommelingen van het lot brachten hem echter wel op die plaats, en dan moet je er ook aan geloven, d.w.z. je moet geloven in wat je doet.

Mijn inschatting is dat Poetin tot het type heersers hoort, net als Hitler trouwens, dat niet geinteresseerd is in materieel gewin, en zelfs niet alleen in macht op zich, maar in wat zijn rol moet zijn in de geschiedenis. Als opvolger in dat reusachtige Kremlin, in dat reusachtige Rusland van Iwan Groznyj, Peter de Eerste en niet te vergeten de niet eens zo heimelijk bewonderde Josef Vissiaronovitsch, die ondanks ‘’een paar foutjes’’ Rusland met de Grote Vaderlandse Oorlog toch aardig op de kaart heeft gezet, dan moet je jezelf toch een hele peer vinden. Waarom denk je anders dat je over een periode van twintig jaar (twee maal president, een maal schijnpremier, twee maal president) dat jij de enige bent die dat baantje kan doen?

Poetin staat te boek als christen. Wie wel eens naar het Russische televisienieuws kijkt weet dat hij zich graag vertoont in het bijzijn van de hoogste vertegenwoordigers van de Russisch-Orthodoxe kerk, en dat lijkt niet alleen te zijn om gelijkgeaard kijkerspubliek tevreden te stellen. In de al genoemde redevoering sprak de Russische president ook over de ”bolsjewieken” die na de revolutie van 1917 gedeelten van het historische Zuid-Rusland bij de nieuwe Sovjet-republiek Oekraiene voegden. ”Moge God over hen oordelen”, voegde hij er in een tussenzinnetje aan toe. Ook voor Poetin heeft God het laatste oordeel.

Het zou mooi zijn als God een handje hielp, want de berichten over de binnenlandse Russiche ontwikkelingen zijn niet erg gunstig: corruptie, geldzucht, alcoholisme, druggebruik, lage levensverwachting (vooral onder mannen), een bestuursstructuur waarin Moskou nog steeds de dienst uitmaakt, een versleten infrastructuur, gebrek aan ontwikkelingsmogelijkheden voor midden- en kleinbedrijf, ontbreken van vrije media; wie dit rijtje bekijkt moet zich wel afvragen of die Poetin het allemaal wel zo goed heeft gedaan. Als men bedenkt dat de Russische bevolking generaties lang blijk heeft gegeven van een hoge begaafdheid op het gebied van kunst, wetenschap enz. lijkt mij dat niet zo te zijn.

Gelukkig is er een voor de hand liggend middel dat vaak wordt ingeroepen door falende bestuurders, en wel de liefde voor het vaderland. Nationalisme is niet alleen een gemakkelijke uitvlucht voor regeerders, maar ook voor een bevolking die het ook niet meer weet en bovendien voor die regeerders gekozen heeft. Voor beide partijen is het een veilig gevoel een beroep te doen op wat hun toch al van God gegeven was, namelijk dat ze tot hetzelfde volk behoren, de zelfde taal spreken en dezelfde geschiedenis delen. En omdat niemand graag zijn eigen fouten toegeeft ligt het voor de hand de schuld van wat er mis in het eigen land elders te zoeken, en dat kan alleen maar het buitenland zijn. Men stelt zich dat buitenland dan voor als een boze macht die er op uit is het eigen land te vernederen, te schaden en uiteindelijk te veroveren; een hedendaagse mythe.

Een andere voedingsbodem voor nationalisme zijn de mythen uit het verleden. Hitler rechtvaardigde gewelddadige gebiedsuitbreiding onder andere met het argument dat de Duitsers ”Heim ins Reich” moesten, Duitsers die achthonderd jaar daarvoor als kolonisten naar oostelijk Europa waren getrokken. Poetin, net als bij voorbeeld de schrijver Alexander Solzhenitsyn, is van mening dat de Oekraiene historisch bij Rusland hoort; dat is geen keuze, dat is een historische noodzakelijkheid. Met de annexatie van de Krim is de eerste stap in de richting van het herstel van het Oude Rusland gedaan, en Poetin zal de strijd om de rest van de Oekraiene, en uiteindelijk om Kiev blijven voeren. Poetin is Hitler niet, die dacht dat alles soldatenlaarzen was op te lossen. Als een militaire invasie er niet in zit, dan zal hij een destabiliseringspolitiek voeren die uiteindelijk een Moskou-gezind bewind aan de macht in Kiev moet brengen. Maar Poetin lijdt wel aan wat Hitler ”schlafwaendlerische Selbstverstaendigkeit” noemde; een heilig moeten, een historische missie die onvermijdelijk vervuld zal worden, en dat alles onder het goedkeurend oog van zijn allereigenste God, die naarmate hij ouder wordt een steeds grotere en vertroebelerende rol gaat spelen in zijn denken.

Iemand die zo begaan is met zijn rol in de geschiedenis heeft natuurlijk geen tijd voor appels en peren, geen aandacht voor het scheppen van gunstige voorwaarden voor de beginnende fruitteler die nu een corrupte belastingdienst op zijn nek krijgt en er het bijltje maar bij neergooit. Daarom lijkt het me het beste dat als Rusland zijn eigen fruit wil genieten, en misschien wel exporteren, Poetin zich zo snel mogelijk terugtrekt in een klooster.

RECLAME EN ROUW

(10 augustus 2014) 23 Juli was in Nederland een dag van rouw ter ere van de vele omgekomen bij de aanslag op het vliegtuig boven de Oekraiene. Ook werd besloten die dag op de publieke zenders geen reclame-uitingen uit te zenden. Wie dit besluit genomen heeft weet ik niet. Wel vraag ik me af wat dit besluit zegt over hoe men tegen reclame in het algemeen aankijkt, waarschijnlijk zonder dat men het beseft. Betekent het immers niet dat als rouw en reclame niet samengaan, dat deze manier van waren aan de man brengen in wezen niet deugt? Die overtuiging ben ik al jaren toegedaan, omdat reclame een broeinest is van leugens, schreeuwerigheid, verspilling van talent en niet-leuke leukigheid. Een doorn in het oog van de beschaving en een profanatie van de intelligentie.

Overigens had men als men consequent had willen zijn ook alle reclame-uitingen op straat moeten afdekken. Dat zou wel te veel gevraagd zijn, maar waarschijnlijk heeft niemand er aan gedacht.

ARMIN VAN BUUREN sync BACH

(23 november 2013) Hoe kan het toch dat in een tijd waarin mediamogelijkheden onbeperkt zijn de wereld opgescheept zit met een muzikale rommelaar als de Nederlandse DJ Armin van Buuren, terwijl in de tijd dat Johann Sebastian Bach zijn uitzonderlijke uitingen van muzikale intelligentie vorm gaf hem weinig anders ter beschikking stond dan papier, inkt en de postkoets.

Is de wereld toevallig niet out of sync?

OPEN BRIEF AAN DE RUSSISCHE PRESIDENT

(14 oktober 2013)

Geachte heer Poetin,

Als burger van het Koninkrijk der Nederlanden wil ik u, en via u de Russische natie, mijn welgemeende verontschuldigingen aanbieden vanwege de schandelijke behandeling die uw vertegenwoordiger dhr. Borodin in ons land heeft ondergaan. Mijn land heeft hiermee, zoals in uw kringen terecht gesteld is, de Rechten van de Mens geschonden, en dat trek ik mij persoonlijk aan.

Ik kan niet van u verwachten dat u mijn verontschuldigingen zomaar aanvaardt; de reikweidte van het weerzinwekkende gedrag van onze uitvoerende organen is daarvoor te groot. Ik kan slechts hopen dat u over mij, als u zich daar al ooit toe zou kunnen brengen, met mildheid zult oordelen.

Omdat ik het niet bij woorden wil laten zal ik mij, als burger van dit land, met de beperkte middelen die mij ten dienste staan, tot het uiterste inspannen bij te dragen aan de terechte bestraffing van de verantwoordelijken voor deze belediging van uw natie. Wat mij betreft zullen de dienstdoende politie-agenten, de plaatselijke hoofdcommissaris en de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken tot overdenking worden gebracht in een heropvoedingskamp, gemodelleerd naar voorbeelden uit uw land.

Ik hoop dat u beseft dat een dergelijke houding ten opzichte van de autoriteiten in een land als het mijne, dat de Rechten van de Mens systematisch schendt, niet zonder risico is. Mocht mij onverhoopt iets overkomen dan hoop ik dat u mijn offer aanvaardt.

DE SCHIJN VAN EEN GRIJNS

(7 oktober 2013) Met dhr. Berlusconi lijkt het nu eindelijk afgelopen te zijn. Een schandelijke, dus verdiende aftocht lijkt hem te wachten te staan. Wie volgen? Poetin, Wilders, het Tea Partyvolkje, de Gouden Dageraad en Assad lijken stevig in het zadel te zitten, maar zoals al gezegd is, je kunt sommige mensen altijd belazeren, je kunt een heleboel mensen een tijd lang belazeren, maar je kunt niet iedereen altijd belazeren. Ook zij zullen vroeg of laat vallen, en wat over zal blijven is de kwaaie herinnering aan de valse, gefriseurde grijns van de voormalige Italiaanse premier.

WOLF EN BEER

(8 juli 2013) Nu de wolf zich na anderhalve eeuw eindelijk weer binnen de grenzen van het huidige Nederland heeft willen vertonen, zou ik graag een andere oorspronkelijke bewoner van onze streken willen aansporen hetzelfde te doen, namelijk de beer. Graag zouden wij deze krachtige doch sympathieke gestalte weer op onze landwegen tegenkomen. Evenals van de wolf heeft de wandelaar van dit in wezen goedaardige wezen weinig te vrezen. Integendeel, met een royale portie honing of bessen houdt men hem makkelijk te vriend, en kan men nog het nodige plezier met hem beleven.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: